wp14c57e52.png






wpe9490554.png
wp40c433ea.png
wp2ed4eceb.png
                     Beklag artikel 13 Strafvordering

In reactie op de aangiftes bij het parket Midden-Nederland werd op 23 oktober 2014
van het afdelingshoofd Beleid&Strategie, mr. R. van den Sigtenhorst, onderstaande
beslissing ontvangen namens de hoofdofficier van justitie, mr. dr. J.R. Bac.

wpa7f5f0e9.jpg

Bij het parket Midden-Nederland zijn twee aangiftes gedaan.
a) Er is opnieuw aangifte gedaan op basis van artikel 227b WvS.

b) Daarnaast is aangifte gedaan wegens valsheid in geschrifte op basis van artikel 225 WvS.

In de beslissing namens de hoofdofficier wordt primair verwezen naar een eerdere uitspraak
van het hof Amsterdam als reden voor het afwijzen van het verzoek om bij de Hoge Raad
een verzoek in te dienen op basis van artikel 510 Sv.

Het eerste bezwaar tegen de beslissing namens de hoofdofficier van justitie is dat de indruk
wordt gewekt dat het hof Amsterdam uitspraak zou hebben gedaan over beide aangiftes
die bij het parket Midden-Nederland zijn ingediend, dit is pertinent onjuist.

Het lijkt erop dat namens de hoofdofficier van justitie hier geprobeerd wordt om beide
zaken te voegen om deze vervolgens door het hof Arnhem-Leeuwarden te laten afwijzen
onder verwijzing naar de uitspraak van het hof Amsterdam.

Gezien de eerdere negatieve ervaringen met het parket Amsterdam ten aanzien van het
correct informaren van het hof zijn bij het beklag de aangiftes zoals deze zijn ingediend
bij het parket Midden-Nederland toegevoegd en wordt in het beklag ook nog eens op een
aantal zaken nader ingegaan.  

De eerdere procedure bij het hof Amsterdam.
Door de onwil bij het parket Amsterdam om collega's en politieke relaties te (laten)
vervolgen is het hof Amsterdam gevraagd om deze zaak te bekijken.

Onderstaand het verslag zoals dit door de advocaat-generaal, de vertegenwoordiger van
het parket Amsterdam, bij het hof Amsterdam is ingediend.

wp4cf03583.jpg


Ten aanzien van het verslag van de advocaat-generaal kan vastgesteld worden dat ook hier
sprake is van onwil en het onjuist informeren van het hof.

Zo stelt de advocaat-generaal dat ten aanzien van de klachten over de personen die
werkzaam zijn bij de gemeente Amsterdam onvoldoende duidelijk is wie het betreft.

In de aangifte wordt onderscheid gemaakt tussen de beleidsuitvoerders van de gemeente
Amsterdam belast met de uitvoering van de bezwaarprocedure en de beleidsmakers die
verantwoordelijk zijn voor het eigen beleid. Ten aanzien van de beleidsuitvoerders zijn de
door deze personen ondertekende beslissingen op bezwaar toegevoegd aan de aangifte.
In de aangifte worden deze personen niet bij naam genoemd, dit gebrek had dus eenvoudig
verholpen kunnen worden via de bijlagen of door het opnemen van contact met klager.

De verantwoordelijke beleidsmakers zijn door de gemachtigde van de gemeente niet
geïdentificeerd tijdens de procedures, er werd slechts gesteld dat er sprake was van eigen
beleid. In het kader van het onderzoek, door het parket, zou dan vastgesteld moeten
worden wie deze beleidsmakers zijn, geen al te ingewikkelde klus aangezien naast de
gemachtigden van de gemeente ook de wetovertredende beleidsuitvoerders geacht mogen
worden hiervan op de hoogte te zijn.

Het is duidelijk dat hier namens het parket Amsterdam het verzuim om zelf onderzoek te
doen en mogelijke gebreken in de aangifte van klager te verhelpen wordt gebruikt als
argument om klager niet ontvankelijk te verklaren.

De aangifte tegen de rechters betrof naast het overtreden van de wet Algemene Bepalingen
tevens de medeplichtigheid aan datgene wat de medewerkers van de gemeente Amsterdam
wordt verweten, hiervoor is de medewerking van de rechters, door het buiten toepassing
laten van officiële wetten, immers noodzakelijk.

Het mysterie rond de handhaving van de wet Algemene Bepalingen blijft nog steeds bestaan,
maar ook indien we er van uitgaan dat het parket hier inderdaad niet verantwoordelijk voor
is dan blijft natuurlijk de medeplichtigheid van de rechters aan de strafbare feiten van de
medewerkers van de gemeente Amsterdam gewoon bestaan.

Bij de beoordeling van het beklag doet de advocaat-generaal het voorkomen dat de zaak
zou draaien om het verstrekken van informatie door de burger aan de overheid terwijl het
juist gaat om het omgekeerde, de informatieplicht van de overheid aan de burger.

Door in navolging van een collega te verwijzen naar de klachtenprocedure bij de rechtbank
maakt de advocaat-generaal opnieuw duidelijk de zaak niet te begrijpen en de bewuste
klachtenprocedure niet te kennen. Deze procedure kan niet gaan over de inhoud van de
uitspraak.

Ook het commentaar van de advocaat-generaal over het bewijs van de gestelde eisen is
misleidend. De uitspraken van de in de aangifte genoemde rechters zijn bij de aangifte
toegevoegd als bewijs voor het feit dat hierin niet wordt ingegaan op het recht op inzage,
van belang is dus wat er niet in de uitspraak staat en niet wat er wel in staat.

Opvallend is dat het aanwezige bewijs van de gestelde feiten ten aanzien van de
medewerkers van de gemeente Amsterdam helemaal niet genoemd wordt.
De toegevoegde uitnodigingen voor een hoorzitting tonen aan dat hier, in strijd met het
wettelijk vereiste, niet wordt verwezen naar het recht op inzage.

Onderstaand is de motivering weergegeven voor de afwijzing van het beklag in de
beschikking van het hof Amsterdam.

wpb305f838_0f.jpg


Uit de beschikking van het hof blijkt dat deze de onjuistheden en onwaarheden van de
advocaat-generaal heeft overgenomen. Het hof heeft geen nader onderzoek ingesteld en
klager dus niet in de gelegenheid gesteld om stelling te nemen tegen de evidente
onjuistheden en onwaarheden van de advocaat-generaal.

Zoals verwacht kan worden blijven niet opgeloste problemen gewoon bestaan en werd
namens de gemeente Amsterdam opnieuw verzuimd te wijzen op het recht op inzage.

Hiervan werd opnieuw aangifte gedaan waarbij nu ook de beleidsuitvoerders van de
gemeente Amsterdam met naam werden genoemd.

Door het parket werd gesteld dat over deze feiten reeds uitspraak is gedaan door het hof,
een stelling die ook het hof zou innemen in de beschikking K13/0338 naar aanleiding van
een verzoek op grond van artikel 13 Wetboek van Strafvordering.

Het hof stelt dat aangezien klager geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert die tot
een hernieuwde beoordeling van de klacht aanleiding zou moeten geven, beklag tegen een
beslissing op grond van art 12 Sv of art 13 Sv is uitgesloten en ook overigens tegen een
beslissing ex artikel 12 en ex artikel 13 voor klager geen gewoon rechtsmiddel openstaat,
klager kennelijk niet ontvankelijk is in zijn beklag.

Een opmerkelijke uitspraak omdat er sprake is van een nieuwe inbreuk op het recht op
inzage van klager en bovendien het eerder gehanteerde argument met betrekking tot de
identiteit van de medewerkers van de gemeente niet meer geldig is nu deze met naam
worden genoemd in de aangifte.

Het lijkt erop dat het parket Midden-Nederland met haar beslissing probeert mee te liften
op deze uitspraak van het hof Amsterdam.

Behalve de overduidelijke bezwaren tegen de uitspraak van het hof Amsterdam, zoals
hiervoor weergegeven, is hier natuurlijk sprake van een relevant nieuw feit, te weten de
uitspraak in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep.

Het parket Amsterdam kon na de uitspraken van de rechtbank nog verwijzen naar de
mogelijkheid tot beroep bij de Centrale Raad van Beroep, dit afschuiven is na de uitspraak
van de Raad niet meer mogelijk.

Ook de rechters van de Centrale Raad van Beroep laten, in strijd met de wet Algemene
Bepalingen, het artikel 7:4 Awb buiten toepassing. Het recht op inzage van klager wordt
door de Centrale Raad van Beroep gereduceerd tot het recht om te klagen over het niet
verlenen van dit recht, zonder dit wettelijk recht van klager te beschermen, zoals blijkt uit
onderstaand punt uit de uitspraak.

wp7913f316.jpg

De rechters van de Centrale Raad van Beroep gaan in hun uitspraak zelfs zover dat het
eigen beleid van de gemeente Amsterdam wordt ondersteund door te stellen dat klager
13 jaar eerder in een procedure wel het recht op inzage was verleend en zodoende op de
hoogte was van dit recht en hier bij volgende procedures maar om had moeten vragen.
De stelling dat pas in beroep op het gebrek is gewezen is aantoonbaar onjuist.  

De aangifte wegens valsheid in geschrifte (225 WvS).

Bij de aangifte wegens valsheid in geschrifte gaat het om feiten die zijn geconstateerd bij
de gecombineerde behandeling door de Centrale Raad van Beroep van de zaken met
kenmerk 11/2064 en 11/5486 WWB, met uitspraak op 4 maart 2014.

Iedere suggestie namens de hoofdofficier van justitie dat deze kwestie eerder beoordeeld
is door het hof Amsterdam is in strijd met de waarheid.

De aangifte wegens valsheid in geschrifte is onderbouwd met bewijsstukken uit de
genoemde procedure bij de Centrale Raad van Beroep.

Door het antidateren van processtukken zijn buiten de wettelijke termijn een groot aantal
stukken toegevoegd aan het dossier door de gemachtigde van de gemeente.

De ontvangst van de per post verzonden stukken is door de griffie van de Centrale Raad
van Beroep met een datumstempel vastgelegd, deze datum ligt ruim buiten de in de wet
gestelde termijn.

De aanbiedingsbrief van de gemachtigde is gedateerd op de uiterste inzenddatum voor
stukken, gezien de door de Centrale Raad van Beroep geregistreerde ontvangstdatum van
de stukken is duidelijk dat deze brief geantidateerd is.

In de aanbiedingsbrief wordt aangegeven dat de stukken niet alleen per post verzonden
zijn maar ook per fax. Het bestaan van een dergelijke fax is echter niet aangetoond.

Het bestaan van deze fax zou de vraag oproepen waarom de Centrale Raad van Beroep
deze stukken niet onmiddellijk heeft doorgezonden en ook de vraag waarom de
gemachtigde van de gemeente pas dagen na deze fax de stukken per post heeft verzonden.

Tijdens de hoorzitting werd door de Centrale Raad van Beroep als bewijs voor de tijdige
ontvangst van de stukken de aanbiedingsbrief namens de gemeente geproduceerd met
daarop een datum waarop de Centrale Raad van Beroep de fax ontvangen zou hebben,
de fax zelf werd echter niet geproduceerd.

Het heeft er alle schijn van dat hier de ontvangst van een fax wordt bevestigd die nooit  is
verzonden om zodoende de te laat ingezonden stukken alsnog de procedure binnen te
rommelen.

Voorafgaand aan de hoorzitting zijn wrakingsverzoeken ingediend tegen de leden
mr. J.C.F. Talman en mr. J.F. Bandringa, deze verzoeken werden, zoals gebruikelijk,
afgewezen met de bepaling dat nieuwe verzoeken in deze procedure niet in behandeling
zouden worden genomen.

Beide rechters werden gewraakt voor hun rol als lid van verschillende wrakingskamers in
een procedure waarin naast de doorzendplicht van de Centrale Raad van Beroep ook het
buiten de wettelijke termijn toevoegen van stukken aan de orde was.

Integriteitsvragen.

In de brief namens de hoofdofficier van justitie valt te lezen dat deze van mening is dat de
grieven van klager zich inmiddels heel erg richten op de integriteit van verschillende
overheidsinstanties waarbij elke nieuwe procedure bij een (beroeps)instantie zoals in dit
geval de Centrale Raad van Beroep bij klager dezelfde twijfel met betrekking tot
integriteitsvragen oproept.

Het lijkt er sterk op dat ook het parket Midden-Nederland nogal in verwarring is over deze
aangifte.

De aangifte is het resultaat van gevoerde procedures binnen het bestuursrecht en in het
bestuursrecht gaat het om zaken tussen het openbaar bestuur en burgers, het is daarom
logisch dat zaken gericht zijn tegen overheidsinstanties.

Hierbij is de procedure zo dat na bezwaar bij het bestuursorgaan er eventueel een beroep
volgt bij de rechtbank en mogelijk een hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De namens de hoofdofficier geconstateerde opeenvolging van procedures is aldus conform
de normale rechtsgang.

Zowel bij de procedures binnen het bestuursrecht als bij de aangiftes op basis van het
strafrecht is de officiële wetgeving de maatstaf en worden zaken waarbij de wetgeving
wordt overtreden aan de orde gesteld.

Vastgesteld is dat de tijdens de bezwaarfase geconstateerde wetsovertredingen niet
conform de wet en ook niet aan de wet zijn getoetst door de rechtbank en de Centrale
Raad van Beroep.

Natuurlijk worden daar waar dezelfde overtredingen worden geconstateerd ook dezelfde
verwijten gemaakt aan de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep.

Namens de hoofdofficier van justitie wordt de kwestie van de integriteit van verschillende
overheidsorganisaties aan de orde gesteld.

Bij de beoordeling van deze kwestie is het van belang vast te stellen dat deze organisaties
een belangrijke rol spelen in wat de rechtstaat wordt genoemd, in een rechtstaat worden
de rechten van burgers door wetten beschermd tegen de staatsmacht.

De aangifte op basis van artikel 227b WvS richt zich tegen ambtenaren van de gemeente
Amsterdam die in verband met hun integriteit een eed hebben afgelegd en waarvan dus
verwacht mag worden dat deze op basis van de wet werken. Vastgesteld is dat de
ambtenaren waartegen aangifte is gedaan in strijd met hun eed opereren en bewust de
wet overtreden.

De aangifte richt zich ook tegen rechters die eveneens een eed hebben afgelegd en waarvan
dus zeker ook verwacht mag worden dat deze op basis van de wet opereren en niet, zoals
in de aangiftes is aangetoond, in strijd handelen met de wet Algemene Bepalingen.

Bij de aangifte op basis van artikel 225 WvS is vastgesteld dat een medewerker van de
gemeente Amsterdam en een aantal rechters van de Centrale Raad van Beroep zich
schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Het is niet meer dan logisch dat bij ambtenaren en rechters die strafbare feiten plegen ook
hun integriteit ter discussie komt te staan.

Veel belangrijker is echter dat deze personen met hun handelen het vertrouwen in de
rechtstaat ondermijnen. De gevoerde procedures maken duidelijk dat de door wetten
beschermde rechten van burgers door deze personen niet worden gerespecteerd.

Verzoeken aan het gerechtshof.

Het hof wordt verzocht, op basis van artikel 13 Sv, het parket Midden-Nederland te bevelen
om alsnog een verzoek als bedoeld in artikel 510 Sv in te dienen ten aanzien van zowel de
aangifte op basis van artikel 227b WvS alsmede de aangifte op basis van artikel 225 WvS.

Het besluit van het parket om ten aanzien van beide aangiftes geen verzoek als bedoeld in
artikel 510 in te dienen is niet of nauwelijks onderbouwd. Het hof wordt daarom verzocht
om, op basis van artikel 12f lid 2. Sv, kennis te kunnen nemen van de op zaak betrekking
hebbende stukken.

Het hof wordt verzocht om, op basis van artikel 12d lid 1 Sv, te worden gehoord om zo te
kunnen reageren op het verslag van de advocaat-generaal en eventueel andere op de zaak
betrekking hebbende stukken. Dit natuurlijk mede om een herhaling van een procedure zoals
bij het hof Amsterdam te voorkomen.


Het gerechtshof heeft medegedeeld dat de behandeling van dit beklag  geruime
tijd, zo’n zes maanden, in beslag kan nemen, dit zou  dan uitkomen op juni 2015.