wp14c57e52.png






wpe9490554.png
wp40c433ea.png
wp2ed4eceb.png
          Aangiftes na de uitspraken in hoger beroep.

Door de Centrale Raad van Beroep is uitspraak gedaan in twee zaken waarbij de eerdere
uitspraken door de rechtbank Amsterdam aanleiding waren geweest voor het doen van
aangifte.

Voor meer informatie over de afwikkeling van deze aangiftes klikt u hier.

De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aanleiding geweest om niet alleen
opnieuw aangifte te doen met betrekking tot het recht op inzage maar ook van valsheid
in geschrifte.

Deze aangifte werd ingediend bij het arrondissementsparket Midden-Nederland onder
leiding van de hoofdofficier van justitie, mr. dr. J.R. Bac. Gezien het feit dat ook hier
weer sprake is van aangiftes tegen arrondissementscollega's, de rechters van de Centrale
Raad van Beroep, van de hoofdofficier is verzocht om deze aangifte te laten behandelen
door een ander parket.

De aangifte op basis van artikel 227b WvS (recht op inzage).

Deze aangifte is gericht tegen de rechters verantwoordelijk voor de uitspraak in hoger
beroep, de rechters die verantwoordelijk waren voor de uitspraken in beroep en enkele
medewerkers van de gemeente Amsterdam die verantwoordelijk waren voor de
behandeling van het bezwaar.

Na de uitspraken in beroep bij de rechtbank Amsterdam waren dit de feiten:

      Op basis van artikel 7:4 Awb is de gemeente Amsterdam verplicht om in de
      uitnodiging voor de hoorzitting aan te geven waar en wanneer de relevante
      stukken ingezien kunnen worden.

      Uit de als bewijs toegevoegde uitnodigingen blijkt dat door de medewerkers van de
      gemeente Amsterdam niet aan het wettelijk voorschrift op basis van artikel 7:4 Awb
      is voldaan.

      Tijdens de hoorzitting bij de rechtbank werd door mr. J.E. Carter, als gemachtigde
      namens de gemeente Amsterdam, gesteld dat de gemeente Amsterdam de wet op
      dit punt heeft vervangen door eigen beleid.

      Volgens mr. J.E. Carter gaat de gemeente Amsterdam er bij dit eigen beleid vanuit
      dat advocaten de wet wel kennen en daarom maar een verzoek moeten indienen
      indien ze de stukken willen inzien.

      In de uitspraken van de rechters  mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker wordt vervolgens
      met geen woord gerept over het vervangen van nationale wetgeving door een eigen
      beleid.

      De rechters laten hier artikel 7:4 Awb buiten toepassing en handelen hiermee in strijd
      met artikelen 11 van de wet Algemene Bepalingen, ook de artikelen 12 en 13 worden
      overtreden.

      Door niet te voldoen aan de wettelijke verplichtingen met betrekking tot het ter
      inzage leggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt door de
      betreffende medewerkers van de gemeente Amsterdam niet alleen artikel 7:4 Awb
      overtreden maar ook artikel 227b Titel XII  WvS.

      De rechters mr. L.H. Waller en mr. C.Bakker zijn medeplichtig door het buiten
      toepassing laten van artikel 7:4 Awb.

Na de uitspraak in hoger beroep kan hetzelfde verwijt van medeplichtigheid gemaakt
worden aan de rechters mr. J.C.F. Talman, mr. J.F. Bandringa en mr. E.C.R. Schut.

Uit onderstaand fragment blijkt dat in tegenstelling tot de uitspraken in beroep, waarin
geen aandacht werd besteed aan het recht op inzage, door de Centrale Raad van Beroep
in de uitspraak in hoger beroep wel iets wordt gezegd over dit onderwerp.

wp7913f316.jpg

Door de Centrale Raad van Beroep wordt allereerst vastgesteld dat door het college van de
gemeente Amsterdam niet is voldaan aan de eis in artikel 7:4 lid 3 Awb met betrekking tot
het informeren over waar en wanneer de op de zaak betrekking hebbende stukken ter
inzage worden gelegd.

      Artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht.
      Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
      hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste  een week voor
      belanghebbende ter inzage.

      Artikel 7:4 lid 3 Algemene wet bestuursrecht.
      Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid
      en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.

Ten aanzien van het vervolg moet vastgesteld worden dat de Centrale Raad van Beroep
niet alleen met een ondeugdelijke redenering de verzoeken afwijst maar dat de Raad ook
verzaakt bij de toepassing van het officiële recht.

In artikel 7:4 Awb wordt niet alleen het recht op inzage geregeld (lid 2 en 3) maar is ook
vastgelegd (lid 5 t/m 8) wanneer dit recht buiten toepassing kan worden gelaten.  

      Artikel 7:4 lid 5 Algemene wet bestuursrecht.
      Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede
      lid achterwege worden gelaten.

      Artikel 7:4 lid 6 Algemene wet bestuursrecht.
      Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing
      van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige
      redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.

      Artikel 7:4 lid 7 Algemene wet bestuursrecht.
      Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet
      openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat
      in deze stukken, in te willigen.

      Artikel 7:4 lid 8 Algemene wet bestuursrecht.
      Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of
      geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende
      stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.

Namens de gemeente Amsterdam is tijdens het verloop van de procedures geen beroep
gedaan op artikel 7:4 lid 5 of 6 Awb. Er werd namens de gemeente Amsterdam immers
verklaard dat men het in artikel 7:4 Awb geregelde recht op inzage heeft vervangen door
eigen beleid.

De aangifte tegen de rechters mr. J.C.F. Talman, mr. J.F. Bandringa en mr. E.C.R. Schut
betreft ondermeer het faciliteren van de gemeente Amsterdam bij het voeren van dit eigen
beleid in strijd met artikel 7:4 Awb. De genoemde rechters faciliteren hier de gemeente
Amsterdam door het artikel 7:4 Awb buiten toepassing te laten.

In de uitspraak wordt door de genoemde rechters alleen melding gemaakt van het
overtreden van artikel 7:4 lid 3 Awb, een feit waarover de burger zich naar het oordeel
van de rechters kennelijk wel terecht kan beklagen maar duidelijk geen aanleiding voor
dezelfde rechters om dit wettelijke recht van de burger te beschermen.

Het feit dat in de uitspraak het overtreden van artikel 7:4 Awb lid 2 niet aan de orde
wordt gesteld dient gezien te worden als een voorwaarde voor het faciliteren van de
gemeente Amsterdam door de rechters.

De vaststelling  van het overtreden van artikel 7:4 lid 2 zou moeten leiden tot een toetsing
aan lid 5 en lid 6 van artikel 7:4 waarbij dan de conclusie zou moeten zijn dat de wens van
de gemeente Amsterdam om een eigen beleid te voeren geen legitieme reden is om de
toepassing van artikel 7:4 lid 2 achterwege te laten.

De Centrale Raad van Beroep verzaakt hier niet alleen door niet te toetsen aan artikel 7:4
Awb maar ook door het buiten beschouwing laten van een aantal andere uitgangspunten
binnen het officiële recht zoals de hiërarchie binnen de wetgeving en het principe dat wie
beweert ook moet bewijzen.

Voor de Centrale Raad van Beroep is een mededeling namens de gemeente Amsterdam
dat men het officiële nationale recht heeft vervangen door eigen beleid kennelijk aanleiding
om van een toetsing aan het officiële recht af te zien. Binnen het alternatieve rechtstelsel,
de Jolish, blijkt de hiërachie binnen de wetgeving dus niet te bestaan, lokale bestuurders en
ambtenaren kunnen hier kennelijk nationale wetgeving vervangen door eigen beleid.

In het officiële recht is het principe van toepassing dat wie iets beweert dit ook moet
bewijzen, dit principe geldt overduidelijk niet binnen het alternatieve rechtstelsel, de Jolish,
omdat door de Centrale Raad van Beroep niet is vastgesteld wie er verantwoordelijk is
voor het beleid, wat het beleid precies inhoudt en waarom men van oordeel is dat men
nationale wetgeving kan vervangen door eigen beleid.

Het is de Centrale Raad van Beroep kennelijk ook om het even of het eigen beleid gemaakt
wordt door individuele medewerkers van de gemeente Amsterdam die belast zijn met de
afhandeling van het bezwaar, hun chef, het bestuursorgaan waarvoor deze mensen werken
of het college van Burgemeester en Wethouders. Volgens de Centrale Raad van Beroep
hebben deze personen dus kennelijk allemaal de bevoegdheid om nationale wetgeving te
vervangen door eigen beleid.

Ook blijkt het voor de Centrale Raad van Beroep dus niet van belang of het eigen beleid
alleen gericht is op specifieke personen, of wellicht op een groep, zoals mensen met blauwe
ogen, of dat het eigen beleid algemeen geldend is met uitzondering voor mensen van een
bepaald ras, politieke voorkeur of een ander bij (grond)wet verboden criterium.

De rechters  verzaken niet alleen bij het vaststellen van de feiten maar gaan zelfs over tot
het construeren van een leugenachtige voorstelling van zaken om de verzoeken tot
vergoeding  van de schade en de vaststelling van een dwangsom af te wijzen.

Het officiële recht geeft de burgers het recht op inzage en verplicht het bestuursorgaan om
burgers hier op te wijzen. In het kader van het alternatieve rechtstelsel, de Jolish, moet hier
de conclusie getrokken worden dat de rechters kennelijk van oordeel zijn dat superieure
bestuurders niet verplicht zijn om minderwaardige burgers te informeren over het recht op
inzage.  De minderwaardige burgers die op de hoogte zijn van dit recht moeten maar een
verzoek indienen als ze de stukken willen inzien, het wettelijk vastgelegde recht wordt hier
dus omgezet in een door de superieure bestuurders te verlenen gunst. De minderwaardige
burgers die niet op de hoogte zijn van dit recht hebben kennelijk pech en door hun
onwetendheid ook geen recht op een eerlijke procedure.

De rechters stellen in hun uitspraak dat appellant uit eerdere procedures bekend is met de
mogelijkheid van inzage maar dat desondanks niet om inzage is gevraagd en eerst in
beroep door appellant op dit gebrek is gewezen.

Op basis van de feiten kan geconstateerd worden dat de rechters hier stellen dat gezien
een procedure in 1997, waarbij in het kader van het bezwaar door de gemeente
Amsterdam wel op het recht op inzage werd gewezen, appellant in 2010, dus 13 jaar later,
geacht wordt bekend te zijn met het recht op inzage.

Gezien de wettelijke verplichting om burgers bij de behandeling van een bezwaar te wijzen
op het recht van inzage is dit een dubieuze redenering. Zeker gezien het feit dat bij een
procedure in 2006, dus 9 jaar na de eerste procedure, door de gemeente Amsterdam niet
werd gewezen op het recht van inzage en dit niet door appellant werd opgemerkt.

In hun uitspraak lasteren de rechters vervolgens dat pas in beroep door appellant op het
gebrek van het recht op inzage is gewezen. Uit onderstaande documenten blijkt dat na de
eerste constatering van het gebrek tijdens het beroep vervolgens in iedere procedure dit
gebrek tijdens het bezwaar aan de orde is gesteld.

Onderstaand een fragment uit de reactie op een uitnodiging voor een hoorzitting aan
ambtenaar B.A. Veenendaal, gedateerd 17 maart 2011.

 wp952c1821.jpg

In een beslissing  op bezwaar van ambtenaar M. Boers, gedateerd 29 januari 2013, staat
onder Uw bezwaren het volgende:

wp57028055.jpg

Voorafgaand aan deze procedure zijn er wrakingsverzoeken ingediend regen de rechters
mr. J.C.F. Talman en mr. J.F. Bandringa naar aanleiding van hun optreden als lid van
een wrakingskamer.

In de uitspraak van de wrakingskamer met als lid mr. J.F. Bandringa wordt een onjuiste
voorstelling van zaken gegeven door te stellen dat een bezwaar ten aanzien van het
misbruik, door rechters, van een procesverbaal als verweerschrift in de eerste
wrakingsprocedure ingebracht had moeten worden. Uit de uitspraak van de eerste
wrakingskamer is duidelijk dat dit bezwaar ook is ingebracht maar dat de wet voorschrijft
dat alle bezwaren tegelijkertijd ingebracht moeten worden. Aangezien echter het als
verweerschrift gebruikte procesverbaal pas na het indienen van het wrakingsverzoek is
opgesteld kon dit natuurlijk niet gelijktijdig met de andere bezwaren worden ingebracht.

Gezien de strijdigheid van de uitspraken van beide wrakingskamers werd een volgend
wrakingsverzoek ingediend dat werd behandeld door een wrakingskamer onder leiding
van mr. J.C.F. Talman. In de uitspraak van deze wrakingskamer werd geconcludeerd
dat appellant misbruik zou maken van de wrakinsprocedure, het verzoek werd om deze
reden afgewezen en volgende verzoeken zouden niet in behandeling worden genomen.

In het kader van deze procedure werd mr. J.F. Bandringa gewraakt omdat deze als lid
van een wrakingskamer had aangetoond geen moeite te hebben om een onjuiste
voorstelling van zaken te geven om tot een bepaalde uitkomst te komen.

De absurde conclusie van mr. J.C.F. Talman dat appellant misbruik zou maken van de
wrakingsprocedure, terwijl duidelijk is dat het juist de collega's van Talman zijn die de
procedure misbruiken door tegenstrijdige uitspraken te doen, was reden om ook Talman
in deze procedure te wraken.

De wrakingsverzoeken tegen beide rechters werden, zoals gebruikelijk, afgewezen.
Uit het bovenstaande blijkt echter dat beide rechters opnieuw een onjuiste voorstelling
van zaken geven en dat ten onrechte de schuld opnieuw wordt neergelegd bij de burger.
De conclusie dient dan ook te zijn dat de wrakingsverzoeken terecht werden ingediend
gezien de vooringenomenheid van beide rechters.

In de wrakingsprocedure waarbij mr. J.C.F. Talman en mr. J.F. Bandringa leden waren
van verschillende wrakingskamers was één van de wrakingsgronden het buiten de wettelijke
termijn indienen van een nader stuk door de gemeente Amsterdam.

In deze zaak waarbij mr. J.C.F. Talman en mr. J.F. Bandringa samen optreden is opnieuw
sprake van het buiten de wettelijk termijn indienen van stukken, deze keer gaat het om een
groot aantal stukken.

Omdat de rechters en de gemachtigde namens de gemeente Amsterdam in deze zaak de
indruk wilden wekken dat deze stukken wel binnen de wettelijke termijn zouden zijn
ingediend is aangifte gedaan van valsheid in geschrifte.


De aangifte wegens valsheid in geschrifte (225 WvS).

De van toepassing zijnde regels voor het indienen van nadere stukken zijn vastgelegd in
artikel 8:58 Awb.

     Artikel 8:58 Algemene wet bestuursrecht
      1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
      2. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging gewezen.  

In de uitnodiging wordt, zoals voorgeschreven, door de Centrale Raad van Beroep gewezen
op deze termijn:
wp32bf996a.jpg

Omdat in deze procedure de zitting was gepland op 27 januari 2014 is duidelijk dat nadere
stukken uiterlijk op 16 januari 2014 bij de Centrale Raad van Beroep ingediend hadden
moeten zijn.

Op 22 januari 2014 werden van de Centrale Raad van Beroep nadere stukken ontvangen
die door de gemeente Amsterdam waren ingediend en die door de Raad zijn gedateerd als
ingekomen op 21 januari 2014.

wp4bb31e36.jpg

In het op 16 januari 2014, de uiterste inleverdatum, gedateerde document is in de
adressering aangegeven dat de stukken zowel per fax als per gewone post zijn verzonden.
Op het document is, naast het stempel met de datum waarop de stukken zijn ontvangen,
ook een stempel geplaatst voor de ontvangstdatum van de fax, deze datum is echter niet
ingevuld.   

Tijdens de hoorzitting werd door het lid van de Raad mr. J.F. Bandringa het onderstaande
document geproduceerd als bewijs voor het tijdig indienen van de nadere stukken door de
gemeente Amsterdam, hier is wel een ontvangstdatumvan de fax ingevuld, namelijk de
uiterste termijn voor het indienen van nadere stukken, 16 januari 2014.

wp3d0f8beb.jpg

Opvallend genoeg werd echter de bewuste fax niet geproduceerd, wel is duidelijk dat er
contact is geweest tussen de gemeente Amsterdam en de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de zitting werd namens de gemeente gesteld dat na overleg met de Raad was
besloten om de stukken ook direct aan eiser toe te zenden.

Deze stukken werden, net als de stukken die naar de Raad zijn gestuurd, op 21 januari
2014 ontvangen. Hieruit kan dus de conclusie getrokken worden dat de stukken aan zowel
eiser als de Raad pas op 20 januari 2014  door de gemeente Amsterdam zijn verzonden.

Valsheid in geschrifte is beschreven in artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

      Artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht.
      Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk
      opmaakt  of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of
      door anderen te  doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft,
      met gevangenisstraf  van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
       
        Artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht.
      Met dezelfde straf, als vermeld in lid 1, wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt
      van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk
      zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet
      vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik

Tegen de gemachtigde van de gemeente Amsterdam, mr. J.E. Carter, is aangifte gedaan
Wegens het overtreden van het eerste lid van artikel 225 WvS. Door het antidateren van
brieven van 16 en 17 januari 2014 heeft mr. J.E. Carter ten onrechte de indruk gewekt
dat stukken binnen de wettelijke termijn zouden zijn ingediend. Ook is ter ondersteuning
van deze valse voorstelling van zaken door mr. J.E. Carter een fax genoemd waarvan
het bestaan niet is vastgesteld.

De aangifte tegen de rechters J.C.F. Talman, J.F. Bandringa en E.C.R. Schut betreft
primair het overtreden van het tweede lid van artikel 225 WvS.

Ten aanzien van de genoemde rechters wordt vastgesteld dat deze tijdens de gevoegde  
behandeling van de zaken 11/2064 WWB en 11/5486 WWB gebruik hebben gemaakt van
buiten de wettelijke termijn aan het dossier toegevoegde stukken. De betrokken rechters
hadden dit zelf kunnen en moeten vaststellen op basis van het door de Centrale Raad van
Beroep zelf aangebrachte datumstempel.

Tijdens de hoorzitting werd door mr. J.F. Bandringa een document geproduceerd dat zou
moeten bewijzen dat de stukken, per fax, op tijd zouden zijn ingediend. Dit document
betrof dus de aanbiedingsbrief van de stukken waarop een datum was ingevuld waarop de
fax ontvangen zou zijn, de fax zelf werd niet door mr. J.F. Bandringa geproduceerd.

Aangezien er ernstige twijfels bestaan aan het bestaan van de bewuste fax dient het invullen
van een ontvangstdatum voor de fax ook beschouwd te worden als valsheid in geschrifte
indien mocht blijken dat de betreffende fax niet bestaat. In dat geval zou dan ook vervolgd
moeten worden op basis van het eerste lid van artikel 225 WvS.




Per brief van 26 mei 2014 is aangifte gedaan bij het parket Midden-Nederland
onder leiding van de hoofdofficier mr.dr. J.R. Bac .

Aangezien beide aangiftes zich mede richten tegen rechters van de Centrale Raad
van Beroep is, onder verwijzing naar artikel 510 Wetboek van Strafvordering,
verzocht om bij de Hoge Raad der Nederlanden een verzoek in te dienen om deze
aangifte door een ander gerecht te laten behandelen.

Het parket Midden-Nederland heeft per brief, gedateerd 10 oktober 2014, laten
weten geen aanknopingspunten te zien voor het instellen van een strafrechtelijk
onderzoek.  Naar aanleiding van dit besluit is op basis van artikel 13 strafvordering
bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een beklagschrift ingediend


Ga verder naar: Beklag artikel 13 Strafvordering.