wp7ce3c65e.png






wp40c433ea.png
wp5c37181e.png
                            De nieuwe aangifte

Op basis van nieuwe feiten en ook met inachtneming van de eerdere bezwaren
is opnieuw aangifte gedaan met daarbij het expliciete verzoek om, gezien de
betrokkenheid van twee rechters van de rechtbank Amsterdam, de procedure
door een ander gerecht te laten behandelen, zoals vastgelegd in artikel 510 van
het Wetboek van Strafvordering.

Als extra argument om de zaak door een ander gerecht te laten behandelen is
gewezen op de mogelijkheid dat, gezien de verklaring van mr. J.E. Carter waarin
deze aangeeft dat hier sprake is van bewust beleid, ook leden van het college
van Burgemeester en Wethouders direct betrokken raken bij deze zaak.

Aangezien door de hoofdofficier van justitie functionele contacten worden
onderhouden met de burgemeester, zoals in het driehoeksoverleg, lijkt het ook
om deze reden beter het onderzoek door een ander gerecht te laten uitvoeren.

Namens de hoofdofficier van justitie, mr.G.Th. Hofstee, wordt een reactie
ontvangen van het Hoofd Beleid en Strategie, mr. H.G.M. Rutgers.  

Alvorens de belangrijkste punten uit deze brief te bespreken is het, voor een
beter begrip, goed hier duidelijk te maken dat de afwijzing van het eerdere
beklag door het gerechtshof bij deze procedure een rol speelt, zoals uit het
onderstaande fragment van de beslissing van het hof blijkt.

wp5f6abd3a.jpg

In de beschikking is uitdrukkelijk aangegeven dat er geen gewoon rechtsmiddel
tegen openstaat, wat dus betekent dat er niet in beroep kan worden gegaan
tegen deze beschikking.

Het is echter wel mogelijk om, zoals in dit geval, op basis van nieuwe feiten en
omstandigheden een nieuw beklag in te dienen.

In de strijd tegen het openbaar ministerie is hierdoor dus niet alleen meer de
vraag aan de orde of er sprake is van vervolgbare strafbare feiten, maar is ook
de vraag van belang of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

Het openbaar ministerie heeft hierdoor nu dus twee mogelijkheden om het
gewenste doel, het niet vervolgen van collega's en relaties, te bereiken.
Allereerst door te blijven volhouden dat er geen sprake zou zijn van strafbare
feiten, maar daarnaast kan het openbaar ministerie nu dus ook stellen dat er
geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waardoor de zaak niet
opnieuw behandeld zou moeten worden.  

Uit het vervolg blijkt dat het openbaar ministerie inderdaad via beide opties
probeert een andersluidende beschikking van het gerechtshof te voorkomen.

In de brief namens de hoofdofficier van justitie, mr.G.Th. Hofstee, wordt
gesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen.

wp6c35c076.jpg

       Vastgesteld kan worden dat de volgende nieuwe feiten of omstandigheden zijn
       aangedragen:

       - Bij de nieuwe aangifte handelt het zich niet langer om een verzoek tot behandeling
       door het arrondissement Amsterdam, artikel 12 Sv, maar om de behandeling door
       een ander arrondissement, artikel 13 Sv.
    
       - Er is een nieuw feit aan de aangifte toegevoegd in de vorm van een nieuwe
       uitnodiging voor een hoorzitting door de gemeente Amsterdam .

       - Naar aanleiding van de eerdere aangifte werd door de advocaat-generaal in zijn
       verslag gesteld dat onvoldoende duidelijk zou zijn om welke personen het zou gaan.
       In de nieuwe aangifte worden deze personen met naam vermeld.

Door het parket wordt vervolgens gesteld dat er naar het oordeel van het parket
sprake dient te zijn van een redelijk vermoeden van schuld alvorens de aangifte
overgedragen moet worden aan een ander arrondissement.

wp730b7463.jpg

       Op basis van de in de aangifte aangeleverde bewijzen dient geconcludeerd te worden
       dat, in objectieve zin, ruimschoots aan het vereiste van een redelijk vermoeden van
       schuld is voldaan.

In de brief van het parket wordt vervolgens ten aanzien van de rechterlijke
ambtenaren gesteld:
wp6480a74c.jpg

Ten aanzien van de gemeentelijke ambtenaren wordt in de brief van het parket
het volgende gesteld:
wp963bea96.jpg

Enkele fragmenten uit de aangifte die aantonen dat er wel degelijk sprake is
van een redelijk vermoeden van schuld.

       De gemeentelijke ambtenaren
 
        2.1.2. Door niet te voldoen aan de wettelijke verplichtingen met betrekking tot het
        ter inzage leggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt door de
        medewerkers Lozeeda, Veenendaal en Boers niet alleen artikel 7:4 Awb overtreden
        maar ook het artikel 227b Titel XII  WvS.

          Artikel 227b Titel XII  WvS.
          Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde
        verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken,
        wordt, indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een
        ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens
        van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een
        verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een
        dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, gestraft met gevangenisstraf
        van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

        Door de medewerkers Lozeeda, Veenendaal en Boers, wordt hier opzettelijk nagelaten
        aan de in het wettelijk voorschrift (artikel 7:4 Awb), opgelegde verplichting tot het
        verstrekken van de benodigde gegevens te voldoen.

        Aangezien het hier in alle gevallen gaat om juridische procedures in het kader van het
        recht op, en de verplichtingen verbonden, aan het ontvangen van bijstand is het
        evident dat de medewerkers Lozeeda, Veenendaal en Boers, weten dat de gegevens
        van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of
        tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of
        tegemoetkoming.  

        Voor wat betreft de mogelijke bevoordeling kan verondersteld worden dat het niet
        nakomen van de wettelijke verplichting leidt tot een kostenbesparing voor de  
        werkgever van de medewerkers, Lozeeda, Veenendaal en Boers, de gemeente
        Amsterdam. Daarbij kan het gemis aan relevante gegevens de gemeente Amsterdam
        bevoordelen bij de uitkomst van de juridische procedures.

        De medewerkers Lozeeda, Veenendaal en Boers, overtreden de wet in opdracht van
        hun werkgever, de gemeente Amsterdam (zie 2.3.1.1.), kennelijk wordt door deze
        medewerkers de afweging gemaakt dat het voor hun eigen positie beter is de wet
        te overtreden.

        2.1.3. Bij de strafrechterlijke vervolging van handelingen van overheden zijn de
        zogenaamde Pikmeerarresten van belang. Door de Hoge Raad is onderscheid gemaakt
        tussen, niet te vervolgen, typische bestuurshandelingen en de wel te vervolgen,
        overheidshandelingen die geprivatiseerd kunnen worden.

        Hier zijn overheidshandelingen aan de orde die geprivatiseerd kunnen worden, het
        college van Burgemeester en Wethouders is primair verantwoordelijk voor de
        afhandeling van de bezwaar- en beroepsprocedure maar heeft deze taak, voor dit
        soort zaken, gedelegeerd aan de afdeling Juridische Zaken van de Dienst Werk en
        Inkomen. Het College zou deze echter ook kunnen laten uitvoeren door een
        private partij, de betrokken medewerkers zijn derhalve strafrechterlijk te vervolgen.

       De gerechterlijke ambtenaren

        2.3.3. Het is duidelijk dat beide rechters, mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker, hier
        de gemeente Amsterdam faciliteren bij het ontduiken van het algemeen geldende
        recht. Hierdoor kan gesteld worden dat de rechters niet alleen medeplichtig zijn aan
        hetgeen de medewerkers van de gemeente Amsterdam wordt verweten maar dat
        beide rechters tevens de in de wet Algemene Bepalingen vastgelegde regels voor
        rechters overtreden.

          Artikel 11 Wet Algemene Bepalingen.
        De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag niet de innerlijke
        waarde of billijkheid beoordelen. Dat betekent dat een rechter een wet
        niet buiten toepassing mag laten, omdat die bijvoorbeeld zijns inziens
        onjuist is, of in strijd met zijn politieke opvattingen.

        Het is evident dat beide rechters artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht
        buiten toepassing hebben gelaten.

          Artikel 12 Wet Algemene Bepalingen.
        De rechter mag geen wetten voor zijn eigen arrondissement of district
        uitvaardigen, deze taak heeft de wetgever zichzelf voorbehouden.

        De beide rechters stemmen, gezien hun uitspraken, in met het door de gemeente
        Amsterdam geformuleerde eigen beleid. Gesteld kan worden dat beide rechters
        dus in feite een eigen wet hanteren ten behoeve van de gemeente Amsterdam.

          Artikel 13 Wet Algemene Bepalingen.
        De rechter is steeds verplicht recht te spreken en mag niet weigeren in een
        bepaald geval vonnis te wijzen onder het voorwendsel dat hem de wet op
        een bepaald niet duidelijk is, of dat de wet voor het onderhavige geschil
        geen oplossing biedt. Indien dit toch gebeurt dan kan de rechter wegens
        rechtsweigering worden vervolgd.

        Beide rechters is verzocht uitspraak te doen over het feit dat de gemeente
        Amsterdam het algemeen geldende recht niet wenst uit te voeren en hiervoor in de
        plaats een eigen beleid voert. Deze verzoeken zijn door beide rechters in hun
        uitspraken genegeerd, door het niet vernietigen van de beide bestreden besluiten is
        echter impliciet wel ingestemd met de handelswijze van de gemeente Amsterdam.
        Hoewel niet expliciet in de uitspraken is vermeld waarom men de wet niet toepast
        kan toch gesproken worden van rechtsweigering.


Door het pakket wordt in het bovenstaande fragment van de brief gesteld dat de
aangifte tegen de gemeentelijke ambtenaren, op grond van art. 510 Sv, niet kan
worden overgedragen aan een ander gerecht. In dit verband is ook het volgende
fragment uit de brief van belang.
wp7e2b923d.jpg

       De stelling van het parket dat op grond van art. 510 Sv de aangifte tegen de
       gemeentelijke ambtenaren niet overgedragen kan worden naar een ander gerecht is
       onjuist, aangezien hier sprake is van één strafbaar feit waarbij zowel de rechterlijke
       en de gemeentelijke ambtenaren betrokken zijn.
 
       In artikel 510 Sv lid 3 is bepaald dat de aanwijzing ook geld voor de mede-verdachten
       van de rechterlijke ambtenaren. Daarnaast is overdracht ook mogelijk op basis van
       artikel 6 Sv.

       Artikel 510 lid 1 wetboek van Strafvordering.
       Indien een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor
       een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of gerechtshof zou moeten
       worden vervolgd en berecht, wordt, op verzoekschrift van het openbaar ministerie
       naar de gewone regelen met de vervolging belast, door den Hoogen Raad een
       ander gerecht van gelijken rang als het anders bevoegde aangewezen, voor
       hetwelk de vervolging en berechting zal plaats vinden.

       Artikel 510 lid  3 wetboek van Strafvordering.
       De aanwijzing geld ook voor mede-verdachten van de rechterlijke ambtenaar.

       Het door het parket gemaakte onderscheid bij een mogelijk beklag tussen rechterlijke
       en gemeentelijke ambtenaren is dan ook onjuist, het artikel 12d lid 2 Sv waar het
       parket naar verwijst betreft het oproepen van klager door het gerechtshof.

       Artikel 12d lid 2 Wetboek van Strafvordering.
       Het oproepen van de klager kan ook achterwege blijven wanneer door hem terzake
       van hetzelfde feit reeds eerder beklag is gedaan, tenzij door de klager nieuwe
       omstandigheden zijn aangevoerd die, waren zij het gerechtshof bekend geweest, tot
       een andere beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.







         Ga verder naar: Beklag artikel 13 strafvordering.