wp848e9173.png






wp40c433ea.png
wp6e85b9ee.png






wp40c433ea.png
wp2db6545a.png

         Verzoeken aan de Hoge Raad der Nederlanden

De wijze waarop binnen het arrondissement Amsterdam (parket en gerechtshof)
met de aangifte is omgegaan kan gezien worden als een bewijs van onwil om
collega's en relaties te vervolgen.

Naar aanleiding van deze vaststelling werden schriftelijk een tweetal verzoeken
gedaan aan het hoogste rechtsorgaan, de Hoge Raad der Nederlanden.

a) In de eerste plaats werd de Hoge Raad direct aangeschreven met het verzoek
de aangifte door een ander arrondissement te laten behandelen.

b) Ook werd de Hoge Raad gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over de
handhaving van de wet Algemene Bepalingen en de juiste te volgen procedure.

Namens de Hoge Raad werd van mr. J.W. Fokkens, procureur-generaal bij de
Hoge Raad, onderstaande reactie ontvangen op bovenstaande verzoeken.

wp609d7c81.jpg
  
                 
                             Aanwijzing ander gerecht

In zijn antwoord op de vraag tot aanwijzing van een ander gerecht geeft de
procureur-generaal, mr. J.W. Fokkens, aan niets te kunnen doen, waarbij
verwezen wordt naar de artikelen 13 en 510 van het wetboek Strafvordering.

      Artikel 510 wetboek van Strafvordering.
       Indien een rechterlijk ambtenaar voor zijne rechtbank, zijn gerechtshof of voor
       een gerecht binnen het ressort van zijne rechtbank of gerechtshof zou moeten
       worden vervolgd en berecht, wordt, op verzoekschrift van het openbaar ministerie
       naar de gewone regelen met de vervolging belast, door den Hoogen Raad een
       ander gerecht van gelijken rang als het anders bevoegde aangewezen, voor
       hetwelk de vervolging en berechting zal plaats vinden.

       Artikel 13 wetboek van Strafvordering.
       Wordt een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 niet ingediend, dan kan de
       rechtstreeks belanghebbende daarover beklag doen bij het gerechtshof binnen het
       rechtsgebied waarvan de indiening zou behoren te geschieden. Het gerechtshof
       kan de advocaat-generaal opdragen te dien verslag te doen en kan voorts de
       indiening van het verzoekschrift bevelen.

De procureur-generaal, mr. J.W. Fokkens, heeft formeel absoluut gelijk dat,
op basis van artikel 510 Sv, het openbaar ministerie een verzoekschrift moet
indienen om een zaak te laten behandelen door een ander gerecht.

Ook de verwijzing naart artikel 13 Sv is, indien geen verzoek wordt ingediend
tot aanwijzing van een ander gerecht, terecht.

De absolute macht die met de aangehaalde wetten wordt toegekend aan het
openbaar ministerie is echter zeer verontrustend, zeker in deze zaak waarin
het niet alleen gaat om de vervolging en berechting van collega's, maar ook
om de mogelijke vervolging en berechting van relaties van de hoofdofficier
van justitie, in dit geval de burgemeester van Amsterdam en ook diverse
ambtenaren van de gemeente Amsterdam.     


                               Wet Algemene Bepalingen

De Hoge Raad der Nederlanden was ook verzocht om duidelijkheid te verschaffen
over de handhaving van de wet Algemene Bepalingen en de juiste te volgen
procedure.

In de brief aan de Hoge Raad der Nederlanden is over dit onderwerp het volgende
opgenomen:

      Voor wat betreft de handhaving van de Wet Algemene Bepalingen is inmiddels
       echter een bijzonder schimmig beeld ontstaan waarbij het volstrekt onduidelijk
       is wie er verantwoordelijk is voor de handhaving. Door de verschillende partijen
       wordt aangegeven dat zij geen rol spelen in de handhaving maar wordt ook
       nagelaten aan te geven wie er dan wel verantwoordelijk is.

       Een overzicht van de standpunten van de diverse partijen:

       Als bijlage 4 is bijgevoegd het relevante deel van een proces-verbaal van een
       zitting van de Centrale Raad van Beroep. In het beroepschrift was de CRvB
       verzocht om de relevante stukken door te sturen naar het ter zake bevoegd
       gezag wegens geconstateerde rechtsweigering. Zoals uit het proces-verbaal
       blijkt wordt door de voorzitter, mr. W.F. Claessens, gesteld dat de CRvB
       geen taak heeft bij het handhaven van de Wet Algemene Bepalingen. Niet in
       het proces-verbaal opgenomen is de relevante vraag aan de voorzitter met
       betrekking tot de geldende doorzendplicht, een vraag waarop de voorzitter ook
       het antwoord schuldig bleef.

       Door de voorzitter, mr. C.F. Claessens, werd, zoals ook uit het proces-verbaal
       blijkt, aangegeven dat door appellant maar zelf aangifte gedaan moest worden
       van rechtsweigering zonder daarbij aan te geven bij wie er dan aangifte gedaan
       moet worden.

       Uit bijlage 1, de brief van het parket, blijkt dat ook het parket aangeeft geen
       rol te hebben bij het handhaven van de Wet Algemene Bepalingen. Ook hier
       wordt nagelaten aan te geven wie er dan wel verantwoordelijk is maar wordt wel
       verwezen naar een klachtenprocedure bij de rechtbank. Gezien de beperkingen
       van deze procedure, het mag niet gaan over de beslissing van de rechter, hier
       dus de beslissing om artikel 7:4 Awb buiten toepassing te laten, is dit geen optie.    

       Ook in bijlage 2, het verslag van de advocaat-generaal wordt verwezen naar
       deze niet van toepassing zijnde klachtenprocedure.

       In bijlage 3, de beschikking van de beklagkamer van het gerechtshof, wordt ook
       geen helderheid verschaft over de handhaving van de Wet Algemene Bepalingen.

       De conclusie moet dus zijn dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor het
       handhaven van de Wet Algemene Bepalingen en dat ook niemand in staat of
       bereid is aan te geven wat dan wel de juiste te volgen procedure is.

       Derhalve hierbij het verzoek aan de Hoge Raad der Nederlanden om duidelijkheid
       te verschaffen over de handhaving van de Wet Algemene Bepalingen en de
       juiste te volgen procedure.


Zoals uit de brief van de procureur-generaal, mr. J.W. Fokkens, blijkt wordt
namens de Hoge Raad der Nederlanden op geen enkele wijze aan dit verzoek
gehoor gegeven.

Het mysterie over de verantwoordelijkheid voor de handhaving van deze wet
wordt dus alleen maar groter na deze bijdrage van het hoogste rechtsorgaan
in Nederland, de Hoge Raad der Nederlanden.

Het lijkt inmiddels echter wel duidelijk dat deze wet niet gehandhaafd wordt,
dit zou dan weer een verklaring kunnen zijn voor de geconstateerd verloedering
van de rechtspraak in Nederland en de opkomst van alternatieve rechtstelsels.




         Ga verder naar: Verzoek artikel 510 strafvordering.