wpc9e196d8.png






wp40c433ea.png
wpb221206a.png

 

                  Uitspraak gerechtshof Amsterdam  

 

De beklagkamer, bestaande uit mrs. J.P. Splint, F.A. Hartsuiker en P.C. Kortenhorst, van het gerechtshof Amsterdam wijst het beklag af.

 

Voor verder op de beschikking(uitspraak) van het gerechtshof in te gaan is het goed eerst vast te stellen op basis van welke informatie het hof tot deze uitspraak is gekomen.

 

In de beschikking wordt aangegeven dat bij de beoordeling van het beklag gebruikt is gemaakt van het ingediende klaagschrift, een ambtsbericht van de

hoofdofficier van justitie en het verslag van de advocaat-generaal.

 

Voor wat betreft de inhoud van het klaagschrift, die reeds eerder besproken is, wordt verwezen naar beklag artikel 12.

 

Bij het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie is kennelijk sprake van een geheim ambtsbericht omdat dit geen deel uitmaakte van de door het gerechtshof toegezonden stukken.

 

Wel beschikbaar is het verslag van de advocaat-generaal en dit verdient het

zeker om hier besproken te worden. De advocaat-generaal vertegenwoordigt het

Openbaar Ministerie bij een gerechtshof en vervult daar dezelfde functie als een officier van justitie, in een strafzaak, bij de rechtbank.

 

De taak van een advocaat-generaal is dus het standpunt van het Openbaar Ministerie te verdedigen en het hof van dit standpunt te overtuigen.

 

Het onderstaande verslag maakt duidelijk hoe de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, het hier door het Openbaar Ministerie gestelde doel, het voorkomen van vervolging van collega's binnen het arrondissement en relaties van de hoofdofficier, mr. G.Th. Hofstee, wil bereiken.

 

 

wp4cf03583.jpg

 

 

Onder het kopje "Ontvankelijkheid van het verslag" wordt door de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, gesteld dat deze, in tegenstelling tot de hoofdofficier van justititie, mr. G.Th. Hofstee, van mening is dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag.

 

Door de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, wordt ten aanzien van de

klachten tegen de rechters gesteld dat ze betrekking hebben op gedragingen die niet vallen onder een delictsomschrijving en dat daarom niet is voldaan aan het vereiste van artikel 12 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.

 

 

         Artikel 12 lid 1 Wetboek van Strafvordering.

       Wordt een strafbaar feit niet vervolgd, de vervolging niet voortgezet, of vindt de

       vervolging plaats door het uitvaardigen van een strafbeschikking, dan kan de

       rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof,

       binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere

       vervolging is genomen, dan wel de strafbeschikking is uitgevaardigd. Indien de

       beslissing is genomen door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het

       functioneel parket, is het gerechtshof Den Haag bevoegd.

 

 

      De advocaat-generaal doelt hier op het reeds besproken standpunt van het OM dat

      het overtreden van de wet Algemene Bepalingen door de rechters niet via het

      strafrecht vervolgd kan worden, omdat de wet Algemene Bepalingen geen deel uit

      maakt van het Wetboek van Strafrecht.

 

      In het klaagschrift werd beide rechters echter ook medeplichtigheid verweten  aan

      de strafbare feiten gepleegd door de ambtenaren van de gemeente Amsterdam.

      Hierbij is uiteraard wel voldaan aan het vereiste van artikel 12 lid 1 van het Wetboek

      van Strafvordering.

 

Wat betreft de klachten over personen die werkzaam zijn bij de gemeente Amsterdam stelt mr. R.C. Tdlohreg dat het onvoldoende duidelijk is wie het betreft zodat de betrokkenen niet in staat zijn zich tegen de ingebrachte beschuldigingen te verweren. Hierdoor zou niet voldaan zijn aan het vereiste

van individualiseerbaarheid van de klacht.

 

      Dit standpunt van de advocaat-generaal is misleidend en in strijd met de feiten.

 

      In het kader van het beklag zijn de bewijsstukken, in de vorm van de schriftelijke

      en door  uitvoerende ambtenaren ondertekende, uitnodigingen aan het klaagschrift     

      toegevoegd.

 

      In het klaagschrift wordt echter verwezen naar een door een gemachtigde van de

      gemeente Amsterdam, mr. J.E. Carter, afgelegde verklaring waarin deze stelt dat

      de gemeente niet langer de wet uitvoert maar dit heeft vervangen door eigen beleid.

 

      In het klaagschrift wordt dan ook gevraagd om de vervolging van deze, niet met

      naam  genoemde personen. Het Openbaar Ministerie zou dus moeten vaststellen wie

      hier de verantwoordelijke, en dus te vervolgen, beleidsmakers binnen de gemeente

      Amsterdam zijn.

 

      Hier lijkt er op dat juist dit onderzoek, wat zou kunnen leiden tot personen met wie

      de hoofdofficier van justitie, mr. G.Th. Hofstee, tenminste een functionele relatie

      onderhoudt, het probleem is.

 

      In plaats van dit onderzoek uit te voeren wordt hier het juist niet verrichten van het

      onderzoek naar de beleidsmakers en hun identiteit, gebruikt als argument om ook

      de beleidsuitvoerders, waarvan de identiteit dus wel bekend is, maar niet te vervolgen.

 

      Het vervolgen van de beleidsuitvoerders zou daarbij ook automatisch moeten leiden

      tot de vervolging van de collaborerende rechters.

 

Hierna volgt een opmerkelijke "Beoordeling van het beklag" door mr. R.C. Tdlohreg.

 

     De advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, stelt in zijn beoordeling dat klager zich in

      een uitkeringssituatie bevindt en wijst vervolgens op de bemoeizucht van de overheid

      die dit tot gevolg heeft.

 

      Door de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, wordt hier een volstrekt verkeerd

      beeld van de zaak gegeven omdat het hier natuurlijk niet gaat om de bemoeizucht

      van de overheid jegens de burger maar om het feit dat de gemeente Amsterdam

      niet aan de wettelijke verplichting voldoet om in het kader van een bezwaarprocedure

      de relevante stukken ter inzage te leggen.

 

      De feiten in deze zaak zijn dus precies het tegenovergestelde van wat door mr. R.C.

      Tdlohreg wordt beweerd, het draait hier dus niet om informatie die de burger aan de

      overheid zou moeten verstrekken maar om informatie die de overheid  aan de burger

      zou moeten verstrekken.

 

      Het betoog van de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, is des te pijnlijker als men

      bedenkt dat het hier gaat om een belangrijk principe in de rechtspraak, namelijk het

      recht van een verdachte op informatie. Het is voor de personen die in het verleden

      veroordeeld zijn, in zaken met mr. R.C. Tdlohreg als advocaat-generaal, te hopen

      dat wel voldaan is aan dit belangrijke principe, bijvoorbeeld vastgelegd in artikel 6

      van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens(EVRM).

 

      Kennelijk niet gehinderd door enige dossierkennis wordt de beoordeling van het

      beklag door de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, vervolgt met "advies" en

      uitleg over de te volgen procedure, het beroep bij de rechter, indien men het niet

      eens is met het oordeel van de gemeente. Aangezien de aangifte mede is gericht

      tegen twee rechters die uitspraak hebben gedaan in deze kwestie maakt mr. R.C.

      Tdlohreg hier opnieuw duidelijk het dossier niet te kennen en/of de zaak niet te

      begrijpen..

 

      Vervolgens legt mr. R.C. Tdlohreg uit dat het verkeerd toepassen van de wet een

      verkeerde wetstoepassing op levert en meestal niet meer dan dat, zoals een

      strafbaar feit.

 

      In de aangifte worden de rechters,  mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker, verweten

      te collaboreren met de medewerkers van de gemeente Amsterdam door, in strijd

      met artikel 11 wet Algemene Bepalingen, het van toepassing zijnde wetsartikel

      buiten beschouwing te laten. Door deze collaboratie zijn de rechters medeplichtig

      aan de strafbare feiten die aan de medewerkers van de gemeente Amsterdam

      worden verweten.

 

      De advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, besluit zijn beoordeling van het beklag

      met een verwijzing naar een aparte procedure voor de kwetsbare groep van rechters

      die naar het oordeel van mr. R.C. Tdlohreg op correcte en juiste wijze is uitgelegd

      aan klager.

 

      Hier kan slechts vastgesteld worden dat mr. R.C. Tdlohreg duidelijk, net als zijn

      collega, mr. H.G.M. Rutgers, geen kennis heeft van de klachtenprocedure waarnaar

      wordt verwezen. In deze klachtenprocedure mag het namelijk niet gaan over de

      beslissing van de rechter, in dit geval dus de beslissing om een artikel buiten

      toepassing te laten.

 

      De advocaat-generaal gaat in zijn verslag vervolgens in op "Het bewijs van de

      gestelde feiten". Hierbij lijkt het duidelijk dat mr. R.C. Tdlohreg het concept van

      het ontbreken van bewijs ook niet helemaal begrijpt. De betreffende uitspraken

      dienen immers als bewijs voor het feit dat door de betrokken rechters artikel 7:4

      van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing is gelaten en dus niet in de

      uitspraken aan de orde komen.

 

      Het is duidelijk dat mr. R.C. Tdlohreg hier zijn kennis van het bestuursrecht kennelijk

      dus ook nogal overschat.De absurditeit van de bewering van mr. R.C. Tdlohreg wordt

      pas goed duidelijk indien bedacht wordt dat er slechts twee mogelijkheden zijn; in de

      uitspraken wordt door de rechters wel of niet stilgestaan bij het overtreden van

      artikel 7:4 Algemene wet bestuursrecht. Uit de bij het beklagschrift toegevoegde

      uitspraken van beide rechters blijkt onbetwistbaar dat beide rechters hier niets  

      over melden.

 

 

                     De beschikking van het gerechtshof

 

De advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, besluit zijn verslag met het verzoek aan het hof om klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag dan wel, indien het hof onverhoopt van mening zou zijn dat klager ontvankelijk is in zijn beklag, het beklag af te wijzen.

 

Uit de beschikking van het hof blijkt dat klager wel ontvankelijk is in zijn beklag maar dat het beklag door mrs. J.P. Splint, F.A. Hartsuiker en P.C. Kortenhorst wordt afgewezen, waarbij, ongeloofelijk maar waar, ook wordt verwezen naar het hiervoor behandelde verslag van de advocaat-generaal mr. R.C. Tdlohreg.

 

Onderstaand is de motivering, in de beschikking van het hof, weergegeven voor

de afwijzing van het beklag.

 

wpbbb78517_0f.jpg

 

 

In de beschikking wordt door het gerechtshof gesteld dat gezien het feit dat de aangifte mede betrekking heeft op rechtelijke ambtenaren die voor een gerecht binnen het ressort van het hof zouden moeten worden vervolgd, een beklag op grond van artikel 13 Wetboek van Strafvordering over het niet indienen van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 Wetboek van Strafvordering tot aanwijzing van een ander gerecht door klager ingediend had moeten worden.

 

      Kort samengevat stelt het gerechtshof hier dat verzocht had moeten worden om

      de aangifte tegen de rechters door een ander arrondissement te laten onderzoeken

      en berechten om zodoende mogelijke belangenconflicten door de behandeling van

      de zaak door collega's uit het eigen arrondissement te voorkomen.

 

Na deze constatering neemt het gerechtshof een opmerkelijk besluit door om

proceseconomische redenen de klacht op te vatten als een klacht ex artikel 13

Wetboek van Strafvordering en dus toch zelf de zaak tegen de collega-rechters

uit het eigen arrondissement te behandelen.

 

Het had natuurlijk veel meer voor de hand gelegen indien het gerechtshof om

proceseconomische redenen het beklag had afgehandeld als een verzoek tot

aanwijzing van een ander gerecht, of anders het beklag wegens de vermeende gebreken niet in behandeling te nemen.

 

De aangevoerde proceseconomische redenen zijn dan ook ongeloofwaardig, het

lijkt er veel meer op dat het besluit om het beklag zelf te behandelen is ingegeven door processtrategische en politieke redenen.

 

Door het beklag zelf in behandeling te nemen voorkomt men immers dat het beklag door een ander gerecht beoordeeld kan worden.

 

Vervolgens geeft het hof in haar motivering aan het eens te zijn met het oordeel van het Openbaar Ministerie, en dus advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, met betrekking tot het strafbaar handelen van de rechters en, even later in de motivering, ook ten aanzien van de ambtenaren van de gemeente waarbij het strafbaar handelen onvoldoende onderbouwd zou zijn.

 

      Beide onderwerpen zijn reeds aan de orde geweest in het kader van het verslag

      van  de advocaat-generaal, mr. R.C. Tdlohreg, waarbij de onjuistheid van beide

      beweringen werd aangetoond.  

 

      De schriftelijke uitnodigingen voor de hoorzittingen tonen onweerlegbaar

      aan dat de gemeente Amsterdam niet de gelegenheid tot inzage biedt

      zoals wettelijk vereist in artikel 7:4  van de Algemene wet bestuursrecht.

 

      Door een gemachtigde van de gemeente Amsterdam is tijdens een hoorzitting

      bij de rechtbank een verklaring/bekentenis afgelegd waarin wordt toegegeven

      dat de gemeente Amsterdam niet langer het algemeen geldende recht volgt

      meer een eigen beleid toepast.

 

      De uitspraken van de beide collaborerende rechters tonen onweerlegbaar

      aan dat de toepassing van het betreffende artikel 7:4 van de Algemene

      wet bestuursrecht buiten beschouwing en toepassing wordt gelaten.   

 

      In het klaagschrift is aangegeven dat het overtreden van het bestuursrecht

      ook leidt tot strafbare feiten als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

 

      Het voeren van een eigen beleid door de gemeente Amsterdam is slechts

      mogelijk door de collaboratie en dus medeplichtigheid van de rechters.

 

Voor wat betreft de opmerking van het hof over het verzoek om informatie

moet vastgesteld worden dat het hof hierbij verwijst naar een verkeerde wet, namelijk de Wet Algemeen Bestuursrecht terwijl het gaat om artikel 11 van de wet Algemene Bepalingen.  

 

      Een opmerkelijke fout aangezien de wet Algemene Bepalingen een van de oudste

      wetten van Nederland is waarin de regels zijn vastgelegd op basis waarvan rechters

      dienen recht te spreken. Deze regels zijn niet alleen van toepassing voor de rechters

      binnen het bestuursrecht maar voor alle rechters, dus ook voor de rechters belast

      met deze procedure, mrs. J.P. Splint, F.A. Hartsuiker en P.C. Kortenhorst.

 

 

 

 

     Ga verder naar: Verzoeken Hoge Raad.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

wp0a9f9e4c.jpg