wp7ce3c65e.png






wp40c433ea.png
wp782ade1e.png

 

     Het beklag op basis van artikel 12 Strafvordering   

 

Door mr. H.G.M. Rutgers , hoofd Beleid en Strategie, werd namens de hoofdofficier van Justitie, mr. G.Th. Hofstee, medegedeeld dat men niet zou overgaan tot strafvervolging. Als reden voor het afzien van strafvervolging werd gesteld dat er geen sprake zou zijn van een strafbaar feit als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

 

Aangezien dit oordeel van het parket als pertinent onjuist wordt beschouwd is op basis van artikel 12 Wetboek van Strafvordering een klacht ingediend bij het gerechtshof waarin wordt aangegeven dat er wel degelijk sprake is van strafbare feiten als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

 

      Artikel 12 lid 1 Wetboek van Strafvordering.

      Wordt een strafbaar feit niet vervolgd, de vervolging niet voortgezet, of vindt de

      vervolging plaats door het uitvaardigen van een strafbeschikking, dan kan de

      rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof,

      binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere

      vervolging is genomen, dan wel de strafbeschikking is uitgevaardigd. Indien de

      beslissing is genomen door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het

      functioneel parket, is het gerechtshof Den Haag bevoegd.

 

 

Op onderstaande pagina van rechtspraak.nl vindt u uitgebreide informatie met betrekking tot een klacht wegens het niet vervolgen van een strafbaar feit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De oorspronkelijke aangifte was gericht tegen medewerkers van de gemeente Amsterdam en de twee rechters, mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker, in het

beklag is voor deze personen aangegeven waarom er wel door het parket

vervolgd zou moeten worden.

 

 

      De medewerkers van de gemeente Amsterdam

 

Het primaire verwijt aan de medewerkers van de gemeente Amsterdam is dat

deze in strijd handelen met artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor wat betreft het ter inzage leggen van de stukken in het kader van de bezwaarprocedure.

 

Door de gemachtigde van de gemeente Amsterdam, mr. J.E. Carter, is in het kader van de beroepsprocedure, tijdens de hoorzitting onder leiding van de

rechter mr. L.H. Waller, verklaard dat de gemeente Amsterdam niet het

algemeen geldende recht uitvoert maar dit heeft vervangen door eigen beleid.  

 

In een functionerende rechtsstaat zou deze handelswijze van de gemeente Amsterdam niet geaccepteerd worden en door de bestuursrechter, op basis van

het algemeen geldende recht, veroordeeld moeten worden, de bestreden

besluiten zouden daarbij vernietigd moeten worden. Er moet echter vastgesteld worden dat de beide rechters, mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker, het algemeen geldende recht buiten beschouwing laten en dus kennelijk instemmen met de vervanging van het algemeen geldende recht door het eigen beleid van de gemeente Amsterdam.

 

Natuurlijk is het zo dat een overtreding van het bestuursrecht primair binnen datzelfde bestuursrecht gecorrigeerd zou moeten worden, de instemming van de beide rechters met de vervanging van het van toepassing zijnde bestuursrecht

door het eigen beleid van de gemeente Amsterdam voorkomt echter de vereiste correctie.

 

Het standpunt van het parket dat er geen sprake zou zijn van strafbare feiten als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht is onjuist. Een overtreding van het bestuursrecht kan daarnaast ook een strafbaar feit opleveren als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

 

De betrokken medewerkers van de gemeente Amsterdam kunnen naast het overtreden van het artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht dan ook verweten worden de volgende artikelen van het Wetboek van Strafrecht te overtreden:

 

       Artikel 227b Titel XII  WvS.

      Hij die, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde

      verplichting, opzettelijk nalaat tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, wordt,

      indien het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij

      weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de

      vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming

      dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming,

      gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde

      categorie.

 

      Toelichting:

      Het wettelijk voorschrift met de opgelegde verplichting is hier artikel 7:4 Awb, het

      nalaten om aan deze verplichting te voldoen leidt tot een financieel voordeel door

      geen faciliteiten beschikbaar te stellen. Gezien het feit dat deze verplichting onderdeel

      is van een juridische procedure is evident dat de gegevens van belang zijn voor de

      vaststelling iemands recht en de hoogte en duur hiervan.

 

      Artikel 361 Titel XXVII WvS.

      De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast

      persoon, die opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of

      bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers, welke hij in zijn bediening onder zich

      heeft verduistert, vernielt,  beschadigt of onbruikbaar maakt, of toelaat dat zij door een

      ander worden weggemaakt, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, of die ander

      daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten

      hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie.

 

      Toelichting:

      Door niet te verwijzen naar artikel 7:4 Awb wordt voorkomen dat zaken die voor de

      bevoegde macht, hier dus primair de bestuursrechter, tot overtuiging en bewijs zouden

      kunnen dienen niet beschikbaar komen.

 

      Artikel 365 Titel XXVII WvS.

      De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen

      of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of  

      geldboete van de vierde categorie.

        

      Toelichting:

      De verklaring van de gemachtigde voor de gemeente, mr. J.E. Carter, met  

      betrekking tot het eigen beleid van de gemeente impliceert dat uitvoerende

      medewerkers door misbruik van gezag gedwongen worden geen melding te maken  

      van het wettelijke recht op inzage.

 

 

 

Voor de uitvoerende ambtenaren die, onder druk van hun meerderen, de wet overtreden is het dus goed te weten dat dit voor hun kan leiden tot een gevangenisstraf van 4 jaar en zes maanden of een geldboete van de vijfde categorie, terwijl hun meerderen ten hoogste een gevangenisstraf van twee

jaren of een geldboete van de vierde categorie kunnen krijgen.

 

 

    De rechters, mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker

 

In de aangifte werd het parket verzocht beide genomen rechters te vervolgen wegens het overtreden van artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen.

 

      Artikel 11 wet Algemene Bepalingen.

      De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag niet de innerlijke waarde of

      billijkheid beoordelen. Dat betekent dat een rechter een wet niet buiten toepassing

      mag laten, omdat die bijvoorbeeld zijns inziens onjuist is, of in strijd met zijn politieke

      opvattingen.

 

      Toelichting:

      Het is evident dat beide rechters artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten

      toepassing hebben gelaten.

 

Daarnaast zijn ook de artikelen 12 en 13 van de wet Algemene Bepalingen van toepassing.

 

      Artikel 12 wet Algemene Bepalingen.

      De rechter mag geen wetten voor zijn eigen arrondissement of district uitvaardigen,

      deze  taak heeft de wetgever zichzelf voorbehouden.

 

      Toelichting:

      De beide rechters stemmen, gezien hun uitspraken, in met het door de gemeente

      Amsterdam geformuleerde eigen beleid. Gesteld kan worden dat beide rechters dus in

      feite een eigen wet hanteren.

 

      Artikel 13 wet Algemene Bepalingen.

      De rechter is steeds verplicht recht te spreken en mag niet weigeren in een bepaald

      geval vonnis te wijzen onder het voorwendsel dat hem de wet op een bepaald niet

      duidelijk is, of  dat de wet voor het onderhavige geschil geen oplossing biedt.

      Indien dit toch gebeurt dan kan de rechter wegens rechtsweigering worden vervolgd.

 

      Toelichting:

      Beide rechters is verzocht uitspraak te doen over het feit dat de gemeente Amsterdam

      het algemeen geldende recht niet wenst uit te voeren en hiervoor in de plaats een

      eigen beleid voert. Deze verzoeken zijn door beide rechters in hun uitspraken

      genegeerd, door het niet vernietigen van de beide bestreden besluiten is echter impliciet

      wel ingestemd met de handelswijze van de gemeente Amsterdam. Hoewel hier dus niet

      expliciet in de uitspraken is vermeld waarom men de wet niet toepast kan hier toch

      gesproken worden van rechtsweigering.

 

 

In het besluit van het parket om niet te vervolgen wordt als reden vermeld dat

de verwijten op basis van de wet Algemene Bepalingen geen strafbare feiten zijn als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

 

Het klopt dat de wet Algemene Bepalingen geen deel uitmaakt van het Wetboek van Strafrecht. De vraag is nu echter wel wie er dan wel verantwoordelijk is voor het handhaven van deze wet nadat eerder ook al namens de Centrale Raad van Beroep was gesteld dat deze geen rol heeft in het handhaven van deze wet.

 

Ten aanzien van de beide met de gemeente Amsterdam collaborerende rechters, mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker, moet vastgesteld worden dat zonder hun

medewerking, in de vorm van rechtsweigering, de gemeente niet in staat zou zijn een eigen beleid te voeren, hieruit volgt dat beide rechters medeplichtigheid verweten kan worden aan hetgeen de medewerkers van de gemeente Amsterdam wordt verweten.

 

Op basis van de feiten moet geconcludeerd worden dat de illegale activiteiten

van de gemeente al meer als 5 jaar bestaan. Hieruit kan geconcludeerd worden

dat er kennelijk illegale afspraken zijn gemaakt tussen de gemeente en de

rechtbank om het algemeen geldende recht niet toe te passen als dit de

gemeente Amsterdam niet gelegen komt.

 

Het is niet aannemelijk is dat er door de gemeente afspraken zijn gemaakt met individuele rechters maar heeft het er alle schijn van dat deze afspraken zijn gemaakt met personen binnen de sector Bestuursrecht die vervolgens de rechters er toe bewegen om niet volgens de wet maar conform de illegale afspraken met

de gemeente recht te spreken.

 

Ten aanzien van dit punt zou dus onderzocht moeten worden hoe de gemeente

er in geslaagd is de rechtbank er toe te bewegen om het gevoerde eigen beleid gedurende een reeks van jaren ongemoeid te laten. Het is duidelijk dat in dit verband de artikelen 363 WvS, voor wat betreft de ambtenaren van de gemeente en de medewerkers van de rechtbank, en 364 WvS, voor wat betreft de rechters ook in beeld komen.    

 

        Artikel 363 Wetboek van Strafrecht.

      1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie

      wordt gestraft de ambtenaar:

         1°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs

          vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem

          te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

 

         2°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs

          vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of

          naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of

          vroegere bediening is gedaan of nagelaten;

 

         3°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om,

          In strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

 

         4°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding

          van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening

          is gedaan of nagelaten.

 

      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het vooruitzicht van een aanstelling als

      ambtenaar, indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd, een feit begaat als in het

      eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.

 

      3. Hij die een feit als omschreven in het eerste lid begaat in verband met zijn

      hoedanigheid  van minister, staatssecretaris, commissaris van de Koning,  

      gedeputeerde, burgemeester, wethouder of lid van een algemeen vertegenwoordigend       orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete  

      van de vijfde categorie.

 

 

       Artikel 364 Wetboek van Strafrecht.

      1. De rechter die een gift, belofte of dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs

      vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde invloed

      uit te oefenen op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt

      gestraft met  gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde

      categorie.

 

      2. De rechter die een gift, belofte of dienst vraagt teneinde hem te bewegen om

      invloed uit  te oefenen op de beslissing van een aan zijn oordeel onderworpen zaak,

      wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de

      vijfde categorie.

 

      

 

 

           

             Ga verder naar: Uitspraak gerechtshof beklag artikel 12 Strafvordering