wpe5073f09.png






wp40c433ea.png
wp08632c08.png

 

                                      De aangifte

 

Per brief, met daarin een toelichting op de bijgevoegde aangifte en bewijsstukken,

is aangifte gedaan bij de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket

Amsterdam, mr. G.Th. Hofstee.

 

Deze aangifte was gericht tegen de rechters mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker en

onbekende personen bij de gemeente Amsterdam die verantwoordelijk zijn voor

het eigen beleid, voor wat betreft het ter inzage leggen van stukken, en eventueel

de personen binnen de rechtbank Amsterdam die mogelijk afspraken hebben

gemaakt met de gemeente om de wet op het punt van het ter inzage leggen van

stukken niet te handhaven.  

 

Door het parket, onder leiding van hoofdofficier mr. G.Th. Hofstee, is vanaf het begin ingezet op het voorkomen van een vervolging van arrondissementscollega’s

en relaties.

 

De kritiek die hiertoe werd gegeven op de de aangifte was, op een aantal punten zeker terecht, maar hierbij dient dan wel onmiddellijk opgemerkt te worden dat in de brief aan de hoofdofficier van justitie, mr. G.Th. Hofstee, was aangeboden om de aangifte nader toe te lichten en ook te voorzien van nadere informatie, van dit aanbod is door het arrondissementsparket geen gebruik gemaakt.

 

Binnen vier weken werd, namens de hoofdofficier van justitie, een reactie ontvangen van het hoofd Beleid en Strategie, mr. H.G.M. Rutgers,  waarin werd gesteld dat de aangedragen feiten geen strafbare feiten zouden zijn als bedoeld

in het Wetboek van Strafrecht en dat dan ook niet overgegaan zou worden tot het instellen van een opsporingsonderzoek.

 

Het lijkt er daarbij op dat het feit dat in de aangifte alleen de te vervolgen feiten

zijn benoemd, zonder de vermelding van de van toepassing zijnde wetsartikelen,

als voorwendsel wordt gebruikt om geen vervolging in te stellen.

 

        Het is natuurlijk wel opmerkelijk dat in een zaak waarbij de overheid (gemeente

        Amsterdam) en de bestuursrechtspraak (mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker) het

        algemeen geldende recht vervangen door eigen regels en beleid, onder het

        voorwendsel dat men er vanuit gaat dat de burgers de wet wel kennen en dus wel

        zullen vragen om hun rechten, de burger er kennelijk niet van uit mag gaan dat de

        hoofdofficier mr. G.Th. Hofstee en zijn medewerkers van het parket de wet ook

        kennen en dus in staat zouden moeten zijn om de aangedragen feiten te koppelen

        aan de relevante wetsartikelen.

 

In de aangifte werd het parket verzocht de rechters, mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker, te vervolgen wegens het overtreden van artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen.

 

In de Wet Algemene Bepalingen, een van de oudste wetten van Nederland, is

vastgelegd hoe rechters dienen recht te spreken.

 

        Artikel 11 Wet Algemene Bepalingen.

        De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag niet de innerlijke waarde

        of billijkheid beoordelen. Dat betekent dat een rechter een wet niet buiten

        toepassing mag laten, omdat die bijvoorbeeld zijns inziens onjuist is, of in

        strijd met zijn politieke opvattingen.

 

        Toelichting:

        Het is evident dat beide rechters artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht

        buiten toepassing hebben gelaten.

 

In het besluit van het parket om beide rechters niet te vervolgen wordt als reden

vermeld dat de verwijten op basis van de wet Algemene Bepalingen geen strafbare feiten zijn als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. Vastgesteld kan worden dat de Wet Algemene Bepalingen inderdaad geen onderdeel uitmaakt van het Wetboek van Strafrecht maar dit hoeft natuurlijk niet te betekenen dat het Openbaar Ministerie hier geen rol heeft, artikel 13 va de Wet Algemene Bepalingen doet immers anders vermoeden.

 

       Artikel 13 Wet Algemene Bepalingen.

        De rechter is steeds verplicht recht te spreken en mag niet weigeren in een bepaald

        geval vonnis te wijzen onder het voorwendsel dat hem de wet op een bepaald niet

        duidelijk is, of dat de wet voor het onderhavige geschil geen oplossing biedt. Indien

        dit toch gebeurt dan kan de rechter wegens rechtsweigering worden vervolgd.

 

Als alternatieven voor de vervolging op basis van het strafrecht wordt door het

parket gewezen op het bestaan van een klachtenprocedure bij zowel de rechtbank

als de gemeente Amsterdam, beide klachtenprocedures zijn echter niet van nut  

wat betreft de hier aangedragen feiten.

 

Als alternatief voor de strafvervolging van de beide rechters wijst het parket op de

klachtenprocedure bij de rechtbank (artikel 26 Wet op de Rechterlijke Organisatie).

      

          Artikel 26 lid 1 Wet rechterlijke organisatie.

        Het bestuur stelt een regeling vast voor de behandeling van klachten.

 

        Artikel 26 lid 4 Wet rechterlijk organisatie.

        Klachten zijn niet mogelijk ten aanzien van gedragingen waartegen

        ingevolge een wettelijk geregelde voorziening een procedure bij een

        rechterlijke instantie openstaat of heeft opengestaan, dan wel beroep

        openstaat of heeft opengestaan tegen een uitspraak die in een zodanige

        procedure is gedaan. Klachten kunnen evenmin een rechterlijke beslissing

        betreffen.

 

        Artikel 2 lid 1 Klachtrecht rechtbank Amsterdam.

        Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop de rechtbank

        zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen, bij het

        bestuur een klacht in te dienen. Niet geklaagd kan worden over de inhoud,

        de motivering, de wijze van totstandkoming of het uitblijven van een

        rechterlijke beslissing, met inbegrip van de in dat kader genomen

        beslissingen van procedurele aard.

 

Zoals uit bovenstaande wetsartikelen blijkt wordt in artikel 26 lid 1 van de Wet

op de Rechterlijke Organisatie vastgesteld dat er een klachtenregeling dient te

zijn, in lid 4 van dit artikel wordt vervolgens aangegeven op welke gebieden de

klachtenregeling van toepassing is en waarover in het kader van deze regeling

niet kan worden geklaagd. De omzetting van deze richtlijnen door de rechtbank

Amsterdam in de vereiste klachtenregeling blijkt uit het hierboven opgenomen

artikel 2 lid 1 van de klachtenregeling van de rechtbank Amsterdam.

 

Het is duidelijk dat, op basis van de in artikel 2 lid 1 genoemde onderwerpen

waarover niet geklaagd kan worden, de klachtenregeling van geen nut is indien

het gaat om rechtsweigering door rechters die een wet buiten toepassing laten  

 

Voorts wijst het parket op de mogelijkheid om, op basis van artikel 13 van de

Wet Organisatie en Bestuur Gerechten en artikel 3, hoofdstuk 15, van de

Aanpassingwet Modernisering Rechterlijke Organisatie, over bepaalde personen

en onder bepaalde voorwaarden een klacht in te dienen bij de procureur-generaal

bij de Hoge Raad. Aangezien echter als voorwaarde voor het in behandeling

nemen van een klacht wordt gesteld dat eerst de interne procedure bij het

betreffende gerecht moet worden doorlopen is dit geen zinvolle suggestie

aangezien de interne klachtenprocedure niet gebruikt kan worden voor de klachten

over de rechtsweigering van beide rechters, zoals hiervoor reeds is vastgesteld.

 

 

       Klachtbehandeling volgens de Wet op de Rechterlijke Organsatie

 

       Interne klachtbehandeling

 

       Klachten over rechtbanken, gerechtshoven, (het parket bij) de Hoge Raad, de

       Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven,

       worden in eerste instantie behandeld bij het desbetreffende gerecht. Elk gerecht

       heeft daarvoor een eigen klachtenregeling vastgesteld die is gepubliceerd op de

       website van dat gerecht.

 

       Externe klachtbehandeling

 

       Nadat de interne klachtprocedure is doorlopen, kunnen klachten over de

       rechtsprekende functionarissen van een gerecht worden ingediend bij de

       procureur-generaal, volgens de bepalingen in de Wet op rechterlijke organisatie.

       De procureur-generaal kan, na een vooronderzoek, besluiten de klacht voor te

       leggen aan de Hoge Raad.

 

Tenslotte wordt als alternatief voor de vervolging van de ambtenaren door het parket voorgesteld om maar, middels de website van de gemeente Amsterdam, een klacht in te dienen over een ongewenste procedure of over een onzorgvuldige dan wel verkeerde behandeling door een medewerker. Het parket verwijst vervolgens naar de Nationale ombudsman voor een verdere behandeling van de klacht indien de procedure bij de gemeente niet tot resultaat leidt.

 

Het zal duidelijk zijn dat deze procedure volstrekt ongeschikt is voor een situatie

waarin ambtenaren in opdracht van hun superieuren de wet overtreden.

 

Naast het feit dat de aangedragen alternatieven als niet zinvol te beschouwen zijn is het belangrijkste bezwaar tegen het besluit van het parket om niet te vervolgen natuurlijk de claim dat er geen sprake zou zijn van strafbare feiten als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, dit is pertinent onjuist.

 

Gezien het feit dat hier wel degelijk sprake is van strafbare feiten als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht is tegen het besluit van het parket om niet te vervolgen dan ook bezwaar gemaakt op basis van artikel 12 Strafvordering.

 

   

       Ga verder naar: Beklag artikel 12 Strafvordering