wpe5073f09.png






wp40c433ea.png
wp6a882a09.png
                         
                                  Lopende Zaken

Lopende Zaken Strafrecht.

In het voorgaande overzicht werden twee bij de Centrale Raad van Beroep lopende zaken
besproken waarin inmiddels door de Centrale Raad van Beroep uitspraak is gedaan.

Klik hier voor het vorige overzicht met meer informatie over deze procedures.

In deze procedures was onder meer de vraag aan de orde of er sprake is van dwangarbeid
bij verplichting tot het doen van vrijwilligerswerk onder uitsluiting van reguliere arbeid of
bemiddeling naar reguliere arbeid.

Door de Centrale Raad van Beroep wordt in de uitspraak verwezen naar een eerdere
uitspraak van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1093. Door de raad wordt hiermee
slechts een antwoord gegeven op de vraag of verplichting tot vrijwilligerswerk gezien
kan worden als dwangarbeid, op de combinatie met de uitsluiting van reguliere arbeid of
uitsluiting van bemiddeling naar reguliere arbeid blijft de Raad het antwoord schuldig.

Net als bij de behandeling van de beroepen bij de rechtbank Amsterdam was ook bij het
hoger beroep het recht op inzage, artikel 7:4 Awb, weer aan de orde.

Daar waar bij de behandeling van het beroep de rechters mr. L.H. Waller en mr. C. Bakker
in hun uitspraken dit onderwerp simpelweg negeerden wordt in de uitspraak van de Raad
wel iets gezegd over het inzagerecht, zoals blijkt uit onderstaand fragment.

wp7913f316.jpg

De Raad begint met de vaststelling dat terecht wordt aangevoerd dat het bestreden
besluit is genomen in strijd met artikel 7:4, derde lid, van de Awb.

Vervolgens wordt in de uitspraak van de Raad gesteld dat hoewel appellant uit eerdere
procedures bekend is met de mogelijkheid van inzage hier door appellant niet om is
gevraagd en eerst in beroep op dit gebrek is gewezen. Hier wordt vervolgens de
conclusie aan verbonden dat appellant niet in zijn belangen is geschaad en worden de
verzoeken om schadevergoeding en tot vaststelling en betaling van een dwangsom
afgewezen.

Door de rechters van de Raad wordt hier duidelijk overgestapt naar het alternatieve
rechtstelsel. de Jolish. Door de rechters wordt geen onderzoek gesteld naar het eigen
beleid van de gemeente Amsterdam maar worden aan appellant verwijten gemaakt met
het kennelijk doel het eigen beleid van de gemeente Amsterdam in stand te houden.

Op basis van de feiten kan geconstateerd worden dat de Raad hier stelt dat gezien een
procedure in 1997, waarin door de gemeente Amsterdam correct melding is gemaakt
van het recht op inzage, appellant 13 jaar later geacht wordt bekend te zijn met het
recht op inzage. Bovendien blijkt uit de feiten dat door appellant herhaaldelijk, ook voor
het beroep, bezwaar is gemaakt, dit in tegenstelling tot de leugenachtige voorstelling
van zaken door de Centrale Raad van Beroep.

Vastgesteld moet worden dat op basis van het officiële recht (artikel 7:4 Awb) de
gemeente Amsterdam verplicht is om burgers te wijzen op hun recht op inzage en is het
niet toegestaan dat rechters wetten buiten toepassing laten (artikel 11 Wet Algemene
Bepalingen) of zelf wetten uitvaardigen (artikel 12 Wet Algemene Bepalingen).

Net als na de uitspraken van de rechtbank Amsterdam is ook nu weer aangifte gedaan
van het onthouden van het recht op inzage door medewerkers van de gemeente
Amsterdam en de betrokken rechters van de rechtbank Amsterdam en de Centrale
Raad van Beroep.

Klik hier voor de aangifte inzake het inzagerecht na de uitspraak van de Raad.

Omdat tijdens de behandeling van het hoger beroep werd vastgesteld dat er, door middel
van antidateren, stukken buiten de wettelijke termijn aan het dossier zijn toegevoegd is
ook aangifte gedaan wegens valsheid in geschrifte, klik hier voor deze aangifte.

Na de mededeling van het parket Midden-Nederland dat men op basis van de aangiftes
niet de gevraagde actie zou ondernemen is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een
verzoek ingediend op basis van artikel 12 Strafvordering, klik hier voor een toelichting.

Het gerechtshof heeft inmiddels laten weten dat de behandeling van het verzoek zo'n
6 maande in beslag kan nemen, een reactie wordt dus verwacht voor juni 2015.


Lopende zaken Bestuursrecht.

Begin december 2014 is door de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld
in een procedure waarin naast het door de rechtbank ten onrechte gebruikte geen belang
argument, opnieuw het recht o inzage aan de orde was.  

De aanleiding voor deze procedure was de wijze waarop de gemeente Amsterdam
omging met een melding over het toekomstig vrijvallen van een verzekeringspolis.

Op deze melding werd namens de gemeente Amsterdam gereageerd met een besluit
waarin de ontvangsten niet alleen aan een verkeerd jaar werden toegerekend maar waarin
ook werd gesteld dat de informatie was aangeleverd door de verzekeringsmaatschappij.

Naar aanleiding van dit besluit van de gemeente Amsterdam is een bezwaar ingediend,
mede gezien de ervaring dat foute besluiten waartegen geen bezwaar wordt gemaakt op
een later tijdstip door de gemeente Amsterdam worden gebruikt in procedures met het
argument dat door geen bezwaar te maken kennelijk is ingestemd met het foute besluit.  

De vrees dat het besluit waarin de ontvangsten aan een fout jaar werden toegerekend
zou leiden tot een financieel nadeel bleek ongegrond. Wat resteerde was de vraag waarom
in het besluit werd gesteld dat men de informatie van de verzekeringsmaatschappij had
ontvangen. Het belang hierbij is de verplichting van de burger om dit soort informatie te
melden.

Op basis van de Fraudewet kunnen burgers die zelf geen melding maken geconfronteerd
worden met zeer hoge boetes. De boetes behorend bij deze wet zijn eind 2014, na een
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2014:4214, en een
rapport van de Nationale Ombudsman aangepast.

De burger wordt in Nederland niet alleen bedreigd door zeer hoe boetes maar ook door
de samenwerking van de overheid met (criminele) informanten. Bekend is inmiddels de
zaak van de buitenlandse spaartegoeden waarbij door de overheid informatie wordt
gekocht van anonieme informanten. Iedereen die zich informatie weet toe te eigenen
kan deze tegenwoordig anoniem verkopen aan de overheid.

Ten aanzien van het besluit van d gemeente Amsterdam waarin gesteld wordt dat de
informatie is ontvangen van een verzekeringsmaatschappij kan dan ook de vraag
gesteld worden wie deze informatie, en onder welke condities, heeft verstrekt.

Ook het feit dat het bezwaar niet direct werd toegewezen maar dat de gemeente
Amsterdam eerst een hoorzitting wilde houden wijst er op dat de feiten kennelijk niet
duidelijk waren en dat er dus naast de zelf aangeleverde informatie ook nog andere
informatie beschikbaar moest zijn. De gemeente Amsterdam is indien men besluit
tot het houden van een hoorzitting verplicht om inzage te geven in de relevante
stukken, dit werd echter opnieuw niet gedaan en daarmee is dit ook in deze procedure
weer een onderwerp.

In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd ten onrechte gesteld dat door de
gemeente Amsterdam een beslissing op bezwaar is genomen waarin aan alle eisen
was voldaan en dat er daarom geen belang meer zou bestaan voor een inhoudelijke
behandeling van de zaak.

Het belang van de zaak is echter gelegen in het alsnog verkrijgen van de mogelijk
in de bezwaarfase onthouden informatie alsmede het eventuele verbeurt verklaren
van een dwangsom door het opnieuw geen gelegenheid bieden tot inzage van de
relevante stukken door de gemeente Amsterdam.

De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt eind januari 2015 verwacht.


Vast staat dat in ieder geval aangifte zal worden gedaan tegen de leiding van de
afdeling belast met het bezwaar en beroep bij de gemeente Amsterdam. Opnieuw is
tijdens de procedure vastgesteld dat namens de gemeente Amsterdam geen uitleg
is gegeven over het eigen beleid met betrekking tot het recht op inzage. Door de
gemachtigde zijn tijdens het hoger beroep geen nadere stukken ingediend en was
deze bovendien niet aanwezig bij de hoorzitting om tekst en uitleg te geven over  
het eigen beleid. Aangezien het bezwaar en beroep binnen d gemeente Amsterdam
door dezelfde afdeling wordt behandeld ligt d conclusie voor de hand dat de leiding
van deze afdeling verantwoordelijk is voor het eigen beleid in strijd met het officiële
recht.

De uitkomst van de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zal hierbij
afgewacht worden. Indien het gerechtshof het parket opdracht geeft de zaak verder
te behandelen kan de aangifte tegen de afdelingsleiding bij dit onderzoek worden
gevoegd. Mocht voeging niet mogelijk zijn dan zal apart aangifte worden gedaan
tegen de afdelingsleiding belast met het bezwaar en beroep binnen de gemeente
Amsterdam