wpc9e196d8.png






wp40c433ea.png
wpcb4ae6d5.png
                                Lopende Zaken

Naar aanleiding van twee uitspraken door de rechtbank Amsterdam is tegen de
rechters in beide zaken en ook enkele medewerkers van de gemeente Amsterdam
aangifte gedaan bij de hoofdofficier van justitie, klik op Strafrecht voor meer
informatie over dit  traject.

Door de Centrale Raad van Beroep zal in maart 2014 uitspraak worden gedaan in
het hoger beroep van beide zaken op basis van het bestuursrecht.

Bij de strafrechtelijke procedure draaide het om het feit dat door de gemeente
Amsterdam het in de wet vastgelegde recht op inzage van de relevante stukken is
vervangen door "eigen beleid" en dat door de beide rechters van de rechtbank
Amsterdam dit vastgelegde recht op inzage bij hun uitspraken buiten toepassing
werd gelaten.

Een belangrijk uitgangspunt in de rechtspraak is het principe dat de partij die iets
beweert dit ook moet bewijzen.

Vastgesteld kan worden dat ook tijdens het hoger beroep geen enkel bewijs is
geproduceerd van het “eigen beleid” van de gemeente Amsterdam en ook is op
geen enkele wijze aangetoond dat de gemeente Amsterdam de bevoegdheid zou
hebben om nationale wetgeving te vervangen door “eigen beleid”.

Hoewel het gezien de voorgeschiedenis, met de aangiftes tegen de rechters die
het beroep in deze zaken hebben behandeld, interessant is wat de uitspraak van
de Raad op dit punt is gaat het ook nog om een aantal andere relevante vragen.

De mogelijke verplichtstelling van vrijwilligerswerk is momenteel veel in het
nieuws, in deze zaak is een bijzondere variant aan de orde namelijk de uitsluiting
van regulier werk in combinatie met de verplichting tot vrijwilligerswerk.

Het verloop van het hoger beroep heeft, al voor de uitspraak, weer het nodige
materiaal voor deze site opgeleverd.

                  Het verloop van het hoger beroep

De hoorzitting in beide zaken werd aanvankelijk vastgesteld voor december 2012,
deze zitting werd echter, zonder opgave van een reden, uitgesteld. Vervolgens
werd de hoorzitting in beide zaken uitgeschreven voor december 2013. Door het
indienen van een wrakingsverzoek tegen twee leden van de Raad werd ook deze
zitting uitgesteld. Na de afwijzing van het wrakingsverzoek werden de zaken in
januari 2014 ter zitting behandeld.

           Het wrakingsverzoek,van Droste-effect naar Wc-eend uitspraak.

Het wrakingsverzoek tegen de twee leden van de Raad was gemotiveerd door de
uitspraken van twee eerdere wrakingskamers waarvan de gewraakte leden deel uit
maakten.

     In een eerdere procedure was een wrakingsverzoek ingediend tegen leden van de
      Raad omdat deze geen gehoor hadden gegeven aan het verzoek om de relevante
      stukken door te sturen naar het bevoegd gezag in verband met geconstateerde
      rechtsweigering. Daarbij werd vastgesteld dat door de gemeente Amsterdam stukken
      waren ingezonden, na het sluiten van de hiervoor geldende termijn, die door de Raad
      toch aan het dossier waren toegevoegd.

     Bij de behandeling van dit wrakingsverzoek werd vastgesteld dat de gewraakte leden
      van de Raad niet aanwezig waren bij de hoorzitting en dat het proces-verbaal van de
      zitting als verweerschrift werd misbruikt. Door de behandelende wrakingskamer werd
      daarbij gesteld dat bezwaren tegen het proces-verbaal niet mogelijk waren omdat alle
      bezwaren tegelijk kenbaar gemaakt moeten worden. Een onmogelijke eis natuurlijk
      omdat op het moment van het indienen van het wrakingsverzoek het proces-verbaal
      nog geschreven moest worden.

      Gezien het standpunt van de wrakingskamer(1) werd een nieuw wrakingsverzoek
      ingediend. De nieuwe wrakingskamer(2) stelde vervolgens dat de bezwaren tegen
      het proces-verbaal in de eerste wrakingsprocedure aan de orde gesteld hadden
      moeten worden. Gezien de tegenstrijdigheid van beide uitspraken werd een
      volgend wrakingsverzoek ingediend, door de wrakingskamer(3) in deze zaak werd
      vervolgens gesteld dat er door klager misbruik zou worden gemaakt van de
      wrakingsprocedure.

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek tegen de leden van de Raad die lid
waren van de hierboven vermelde wrakingskamer (2) en (3) bleek als voorzitter
van de wrakingskamer benoemd te zijn mr. E.J.M. Heijs die ook lid was van de
hierboven genoemde wrakingskamer (1).   

Gezien de geconstateerde betrokkenheid werd ook tegen mr. E.J.M. Heijs een
verzoek tot wraking ingediend.

Hier kan dus gesproken worden van een soort Droste-effect waarbij twee rechters
gewraakt worden op basis van hun uitspraken als lid van een wrakingskamer en
vervolgens de voorzitter van de wrakingskamer die deze wraking moet beoordelen
zelf gewraakt wordt gezien zijn betrokkenheid bij een eerdere, aan deze zaak
gerelateerde, wrakingskamer.

      In een bekende commercial werd, als parodie op commercials waarin door
       deskundigen in witte jassen producten worden aangeprezen, door "eigen witte
       jassen" het middel WC-eend aanbevolen met de bekende slogan "Wij van WC-eend
       adviseren ... WC-eend".

De wraking van mr. E.J.M. Heijs werd door mr. E.J.M. Heijs zelf door middel van
een zogenaamd WC-eend besluit afgewezen.

Met de witte jassen vervangen door toga's werd door mr. E.J.M. Heijs een besluit
genomen waarin deze het wrakingsverzoek tegen zichzelf afwijst, vrij vertaald:
     "Ik mr. E.J.M. Heijs verklaar het verzoek om wraking van mr. E.J.M. Heijs
      niet-ontvankelijk".   

Na op deze wijze eerst zijn eigen wraking te hebben afgewezen wordt vervolgens
door mr. E.J.M. Heijs ook de wraking van de beide rechters mr. J.C.F. Talman en
mr. J.F. Bandringa afgewezen.

Ook wordt door mr. E.J.M. Heijs bepaald dat geen verdere wrakingsverzoeken in
deze hoger beroepen in behandeling worden genomen omdat misbruik zou worden
gemaakt van de bevoegdheid om wrakingsverzoeken in te dienen.

Klik hier voor een weergave van de Wc-eend uitspraak op rechtspraak.nl.
(http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2013:2733)

Klik hier voor een weergave van de uitspraak op rechtspraak.nl.
(http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2013:2732)


                                               De hoorzitting

In het kader van de hoorzitting deden zich opnieuw een aantal zaken voor die niet
onbesproken kunnen blijven, het gaat hierbij met name om:
- het voegen en splitsen van zaken,
- het oproepen van getuigen,
- het te laat indienen van nadere stukken.

In de Algemene wet bestuursrecht is ten aanzien van het voegen/splitsen van
zaken het volgende bepaald:

     Artikel 8:14 Algemene wet bestuursrecht
      1. De rechtbank kan zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter
      behandeling voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen.
      2. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot het sluiten van het onderzoek
      ter zitting.

Door de Centrale Raad van Beroep werd in deze zaken niet geïnformeerd over de
voeging, er werden simpelweg twee uitnodigingen verstuurd voor zittingen op
dezelfde datum, op dezelfde locatie en op hetzelfde tijdstip.

Hier dient vastgesteld te worden dat het voegen van beide zaken door de Centrale
Raad van Beroep op zich niet vreemd was gezien de relatie tussen beide zaken.

Het bestreden besluit in de eerste zaak is namelijk door de gemeente Amsterdam
zelf ingetrokken middels het bestreden besluit in de tweede zaak, omdat het
tweede besluit werd genomen tijdens de behandeling van het eerste besluit door
de rechtbank Amsterdam was de gemeente Amsterdam verplicht, op basis van
artikel 6:18 lid 2 Awb, dit aan de rechtbank te melden.

     Artikel 6:18 lid 2. Algemene wet bestuursrecht
      Gaat het bestuursorgaan tot intrekking of wijziging van het bestreden
      besluit over, dan doet het daarvan onverwijld mededeling aan het orgaan
      waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is.

De gemeente Amsterdam heeft in strijd met dit artikel nagelaten de rechtbank te
informeren over het intrekken van het eerste besluit.

Kort na de hoorzitting, en dus na het sluiten van het onderzoek door de rechtbank,
werd het intrekkingsbesluit van de gemeente Amsterdam ontvangen. Omdat door
de rechtbank nog geen uitspraak was gedaan werd deze verzocht om op basis van
artikel 8:68 Awb het onderzoek te heropenen, dit verzoek werd afgewezen.

     Art. 8:68 lid 1. Algemene wet bestuursrecht
      Indien de rechtbank van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest,
      kan zij het heropenen. De rechtbank bepaalt daarbij op welke wijze het
      onderzoek wordt voortgezet.
 
Tegen de uitspraak van mr. L.H. Waller in deze zaak, waarbij het besluit in stand
werd gelaten, werd hoger beroep ingesteld.

De Centrale Raad van Beroep werd verzocht het voegen van beide zaken toe te
lichten en daarbij is tevens het gemotiveerde verzoek gedaan om beide zaken
weer te splitsen. Hierbij werd de Raad tevens verzocht om de ambtenaar die
verantwoordelijk was voor het intrekkingsbesluit op te roepen als getuige om de
diverse vragen met betrekking tot dit besluit te beantwoorden. Dit omdat tijdens
de hoorzitting bij de rechtbank reeds was gebleken dat de gemachtigde van de
gemeente Amsterdam deze vragen niet kon of mocht beantwoorden.

Onderstaand de reactie van de Raad op deze verzoeken.
wp91f5ab30.jpg
 
Voor wat betreft het oproepen van getuigen kan opnieuw geconcludeerd worden
dat aan waarheidsvinding kennelijk weinig of geen waarde wordt gehecht.

Ook na de hoorzitting bij de Centrale Raad van Beroep is ten aanzien van het
intrekkingsbesluit nog steeds onduidelijk wat bijvoorbeeld de aanleiding was voor
dit besluit, wie de opdrachtgever was voor het nemen van het besluit, de timing
van het besluit, de vorm van het besluit en de inhoud van het besluit.

Voor wat betreft de suggestie om zelf getuigen op te roepen dient gesteld te
worden dat het de rechters zijn die bepalen of deze getuigen ook daadwerkelijk
gehoord worden, aangezien de rechters in deze zaak al hebben aangegeven geen
behoefte te hebben aan het horen van de getuige is het zelf oproepen van de
getuige kennelijk geen zinvolle optie.

Voor wat betreft het voegen en splitsen van zaken kan slechts geconstateerd
worden dat in het kader van het alternatieve rechtstelsel, de Jolish, verzoeken tot
splitsing van door de Raad gevoegde zaken niet inhoudelijk behandeld worden.
In de brief wordt volstaan met de mededeling dat de zaken gevoegd behandeld
zullen worden door de Raad.


                              Indiening nadere stukken

Ten aanzien van het indienen van nadere stukken is reeds in een eerdere zaak
vastgesteld dat de gemeente Amsterdam en de rechtspraak hier het officiële recht
buiten toepassing laten en dit kennelijk hebben vervangen door het alternatieve
rechtstelsel, de Jolish.

In deze eerdere procedure was het indienen van stukken, buiten de wettelijke
termijn, één van de redenen voor het wraken van de verantwoordelijke rechters,
het verloop van de wrakingsprocedure was vervolgens weer de aanleiding voor het
wraken van twee rechters in deze procedure. (zie hierboven)

De van toepassing zijnde regels voor het indienen van nadere stukken zijn
vastgelegd in artikel 8:58 Awb.

     Artikel 8:58 Algemene wet bestuursrecht
      1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
      2. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging gewezen.  

In de uitnodiging wordt, zoals voorgeschreven, door de Centrale Raad van Beroep
gewezen op deze termijn:
wp32bf996a.jpg

Op basis van het artikel 8:58 Awb en de tekst in de uitnodiging voor de hoorzitting
is duidelijk dat hier de ontvangsttheorie van toepassing is. In artikel 6:9 Awb
worden de ontvangst- en verzendtheorie omschreven.

     Artikel 6:9 Algemene wet bestuursrecht
      1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde
      van de termijn is ontvangen (ontvangsttheorie).
      2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend
      indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet
      later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Omdat in deze procedure de zitting was gepland op 27 januari 2014 is duidelijk
dat nadere stukken uiterlijk op 16 januari 2014 bij de Centrale Raad van Beroep
ingediend hadden moeten zijn.

Op 22 januari 2014 werden van de Centrale Raad van Beroep nadere stukken
ontvangen die door de gemeente Amsterdam waren ingediend en die door de
Raad zijn gedateerd als ingekomen op 21 januari 2014.
wp4bb31e36.jpg

In het op 16 januari 2014, de uiterste inleverdatum, gedateerde document is in
de adressering aangegeven dat de stukken zowel per fax als per gewone post zijn
verzonden. Op het document is, naast het stempel met de datum waarop de
stukken zijn ontvangen, ook een stempel geplaatst voor de ontvangstdatum van
de fax, deze datum is echter niet ingevuld.   

Tijdens de hoorzitting werd door het lid van de Raad mr. J.F. Bandringa het
onderstaande document geproduceerd als bewijs voor het tijdig indienen van de
nadere stukken door de gemeente Amsterdam, hier is wel een ontvangstdatum
van de fax ingevuld, namelijk de uiterste termijn voor het indienen van nadere
stukken, 16 januari 2014.
wp3d0f8beb.jpg



Opvallend genoeg werd echter de bewuste fax niet geproduceerd, wel is duidelijk
dat er contact is geweest tussen de gemeente Amsterdam en de Centrale Raad
van Beroep. Tijdens de zitting werd namens de gemeente gesteld dat na overleg
met de Raad was besloten om de stukken ook direct aan eiser toe te zenden.

Deze stukken werden, net als de stukken die naar de Raad zijn gestuurd, op 21
januari 2014 ontvangen. Hieruit kan dus de conclusie getrokken worden dat de
stukken aan zowel eiser als de Raad pas op 20 januari 2014  door de gemeente
Amsterdam zijn verzonden.

Overigens kan, op basis van de verschillende posities van de stempels met de
datum van ontvangst in bovenstaande afbeeldingen, vastgesteld worden dat de
gemeente de stukken in tweevoud naar de Raad heeft gestuurd.

Het eerste exemplaar, zonder een ontvangstdatum fax, is onmiddellijk door de
Raad aan eiser doorgezonden, op het exemplaar voor eigen gebruik is later een
datum ingevuld waarop de fax ontvangen zou zijn.

Op basis van het officiële recht maakt dit gerommel door de gemeente en de
Centrale Raad van Beroep echter geen verschil, omdat zowel op basis van de
ontvangst- als de verzendtheorie de nadere stukken te laat zijn ingediend.

Uitgaande van de hier van toepassing zijnde ontvangsttheorie hadden de stukken
op 16 januari 2014 door de Raad ontvangen moeten zijn, door de Raad zijn de
stukken echter zelf gedateerd als ontvangen op 21 januari 2014.

Het lijkt erop dat de gemeente Amsterdam en de Raad de indruk willen wekken
dat de stukken op basis van de verzendtheorie wel tijdig zijn ingediend, ten
onrechte omdat hierboven is geconstateerd dat de stukken pas op 20 januari,
dus na het sluiten van de termijn op 16 januari 2014, ter post zijn bezorgd.

Naast de feitelijke constatering dat de stukken te laat zijn ingediend is natuurlijk
ook de vraag relevant waarom de gemeente Amsterdam de stukken niet op tijd
heeft ingediend. Gezien de rol van de Raad om de stukken alsnog de procedure
binnen te rommelen is het niet verwonderlijk dat deze vraag niet aan de orde is
gesteld.

Vastgesteld kan worden dat tijdgebrek geen argument kan zijn gezien het verloop
van de procedure waarvan de behandeling een aantal malen is uitgesteld, in de
aanbiedingsbrief wordt namens de gemeente Amsterdam verwezen naar een brief
van de Raad van 3 mei 2011.

In de aanbiedingsbrief wordt ook gesteld dat de stukken worden aangeboden ter
completering van het dossier, deze formulering is misleidend omdat met deze
stukken allerminst een compleet beeld wordt gegeven van het dossier.

Zo werden bijvoorbeeld wel de oude besluiten geproduceerd maar niet de
bezwaarschriften tegen deze besluiten. Ook viel op dat relevante informatie over
het ontstaan van het conflict ontbrak en bovendien werd geen melding gemaakt
van het laatste besluit van de gemeente om, voorafgaand aan de zitting, de
uitkering stop te zetten.

Dit besluit was natuurlijk van belang voor de opstelling in de procedure omdat
hierdoor bijvoorbeeld verder uitstel geen optie meer was. Tijdens de zitting
werd namens de gemeente Amsterdam gemeld dat het stoppen van de uitkering
ongedaan was gemaakt en was omgezet in een waarschuwing.

Het lijkt erop dat de stukken om strategische redenen te laat zijn ingediend en
dat de selectie van de ingediende stukken vooral tot doel had een onjuist beeld
op te roepen van eiser en het verloop van de procedure.


Door de Centrale Raad van Beroep zal in maart 2014 uitspraak worden gedaan in
deze zaak.